Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 6, editie 4. Daarin vindt u een overzicht van 34 in april 2023 gepubliceerde uitspraken over pensioen, inclusief enkele eerder dit jaar nagekomen uitspraken.
U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
Onvoorwaardelijke indexatie met voorwaardelijk element wijzigen niet in strijd met aantastverbod Pensioenwet (PR 2023-0056)
De Hoge Raad oordeelde deze maand in het AFM-arrest dat een onvoorwaardelijke indexatie met voorwaardelijk element voor de toekomst gewijzigd kan worden zonder dat dit in strijd is met het aantastverbod van opgebouwd pensioen (art. 20 Pensioenwet). De bijzondere bescherming van artikel 20 Pensioenwet is wat betreft indexatie slechts gerechtvaardigd als daarvoor reeds vermogen verplicht is afgezonderd of had moeten worden afgezonderd. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat een eenzijdig wijzigingsbeding in een arbeidsovereenkomst (art. 7:613 BW) betrekking kan hebben op wijzigingen in de pensioenovereenkomst. Of dat zo is, moet worden uitgelegd na terugverwijzing (ECLI:NL:HR:2023:661).
Mogelijke aantasting voorwaardelijke indexatie: leidt dat tot schade? (PR 2023-0057)
Deze maand oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden in een zaak waarin de vraag centraal stond of de voorwaardelijke indexatie nog kon worden nagekomen nadat de mogelijkheid om pensioen in te kopen in het gesepareerd beleggingsdepot was beëindigd. Het hof constateerde dat de werkgever de voorwaardelijke indexatie uit het pensioenreglement niet nakwam. De werknemer heeft echter geen recht tot inkoop van het pensioen binnen het gesepareerd beleggingsdepot. Om te kunnen bepalen of er schade is geleden zullen in de schadestaatprocedure de situatie met en zonder overheveling van € 3,2 miljoen uit de egalisatiereserve naar een kostendepot met elkaar vergeleken moeten worden (ECLI:NL:GHARL:2023:3332).
Advocatenkantoor moest salary partner informeren over pensioenwijziging (PR 2023-0066)
De rechtbank Noord-Holland oordeelde dat een advocaat vanaf 1 januari 2009 kwalificeerde als salary partner. De advocate zag in 2009 af van deelname in ruil voor meer salaris. Het advocatenkantoor had haar op grond van goed werkgeverschap moeten informeren over het vervallen van haar werknemersbijdrage per 1 januari 2011. Over de vraag hoeveel pensioenschade zij heeft geleden mogen partijen zich bij akte uitlaten (ECLI:NL:RBNHO:2023:2582).
Ondergrens MITT-activiteiten ondanks ontbreken hoofdzakelijkheidscriterium (PR 2023-0075)
Er zijn meerdere uitspraken – gepubliceerd en ongepubliceerd – over de uitleg van de werkingssfeerbepaling van MITT (mode- en interieurindustrie). De werkingssfeerbepaling van MITT kent geen hoofdzakelijkheidscriterium. Daarom is de vraag of werkgevers die beperkte MITT-activiteiten verrichten toch onder de werkingssfeer vallen. Eerder oordeelde de kantonrechter Alkmaar dat dit het geval was. Recent oordeelde de kantonrechter in Den Haag dat er een ondergrens was. Het aandeel van de omzet van de groothandel in sportprijzen was minder dan 5%. De rechtbank overweegt dat er bij een verplichtstellingsbesluit dat geen hoofdzaakcriterium kent, sprake kan zijn van een zekere ondergrens, waarbij het aandeel van de betreffende activiteit ten opzichte van het totaal en de vraag of de betreffende activiteit tot de hoofdactiviteiten van de onderneming behoort of niet van invloed kunnen zijn op de beoordeling. De stelling van MITT dat ook bij een verwaarloosbaar percentage van minder dan 1% de betreffende onderneming zich verplicht dient aan te sluiten bij MITT, is onhoudbaar. De rechtbank concludeert dat de onderneming niet verplicht aangesloten is (ECLI:NL:RBDHA:2023:3046).
NB Mij is bekend dat inmiddels in drie verschillende hoven hoger beroep loopt over de werkingssfeerbepaling van MITT.
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar pr-updates@budh.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
Raadsheer-plaatsvervanger Hof Den Bosch
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Werknemer neemt deel aan de collectieve pensioenregeling van Capgemini. Het hof constateert dat Capgemini door het vervallen van de mogelijkheid om pensioen in te kopen binnen het gesepareerd beleggingsdepot (GBD) de voorwaardelijke toeslagregeling van artikel (6 en) 14 Pensioenreglement niet nakomt. De werknemer heeft evenwel geen recht tot inkoop pensioen binnen het gesepareerd beleggingsdepot. Om te kunnen bepalen of er schade is geleden zullen in de schadestaatprocedure de situatie mét en de situatie zonder de overheveling van € 3,2 miljoen uit de egalisatiereserve naar een kostendepot met elkaar vergeleken moeten worden. 18-04-2023
- Gerechtshof Den Haag Geschil over de vraag of pensioenfonds SPNG verplicht is tot premievrije voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid van de werknemers van werkgever Itsme. Itsme heeft de uitvoeringsovereenkomst met SPNG opgezegd per 1 januari 2021. Het hof oordeelt dat naar de kern teruggebracht, het recht op premievrije deelneming is toegekend aan de deelnemer die ten minste 35% arbeidsongeschikt is en een WIA-uitkering ontvangt. Niet in geschil is dat de betrokken werknemers geen deelnemer meer waren op het moment dat zij aanspraak kregen op een WIA-uitkering. Het deelnemerschap eindigt immers indien de onderneming waar de deelnemer werkzaam is, niet langer een aangesloten werkgever is bij SPNG. Op basis van de bewoordingen en de systematiek van het Pensioenreglement geldt dat niet voldoende is dat de arbeidsongeschiktheid tijdens het deelnemerschap is ontstaan. 11-04-2023
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Werkneemster maakt aanspraak op uitbetaling van gewerkte maar niet verloonde uren en verschuldigde pensioenpremies aan het pensioenfonds. Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat werkgeefster in deze procedure de (handmatige) urenlijsten/urenoverzichten van werkneemster heeft overgelegd en de salarisspecificaties met daarop het aantal gewerkte respectievelijk uitbetaalde uren. Op basis van deze stukken kan niet worden aangenomen dat werkgeefster te weinig uren aan werkneemster heeft uitbetaald. Het hof oordeelt dat werkgeefster werkneemster geen achterstallig loon hoeft te betalen vanwege uitbetaling van te weinig uren en dat geen pensioenpremie is verschuldigd. 04-04-2023
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Geschil over de vraag of werkgever personeelsdiensten Ysselsteyn valt onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds voor metaal en techniek en de daaraan gelieerde sociale fondsen. Volgens het hof rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de stelling dat Ysselsteyn onder het Verplichtstellingsbesluit valt in beginsel bij PMT. Dit laat echter onverlet dat op Ysselsteyn een verzwaarde motiveringsplicht rust ten aanzien van haar betwisting: van Ysselsteyn kan worden verlangd dat zij ter onderbouwing van haar betwisting voldoende gegevens verschaft, nu PMT voor het kunnen vaststellen van de feitelijke werkzaamheden van de werknemers en de beoordeling of deze onder het Verplichtstellingsbesluit vallen, afhankelijk is van de openheid die Ysselsteyn daarover betracht. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter dat de werkgever onder het verplichtstellingsbesluit valt. 04-04-2023
- Gerechtshof Den Haag Geschil over voortzetting pensioenovereenkomst na overgang van onderneming. Het hof oordeelt dat de verkrijgende werkgever was gehouden de voor de overgenomen werknemer bestaande pensioenvoorziening voort te zetten. De werkgever heeft dat niet gedaan, want de pensioenregeling is niet bij een pensioenuitvoerder ondergebracht. Niet gebleken is van een wijziging van de pensioenovereenkomst (afstand van pensioen). Er is geen schending van de klachtplicht, want er is in het geheel niet nagekomen. De verplichting tot nakomen pensioenovereenkomst is met de overname op 30 december 2011 ontstaan. Stuiting van de verjaring met een brief op 20 december 2016 is binnen de verjaringstermijn. Het hof houdt de veroordeling tot onderbrenging van de pensioenovereenkomst aan in afwachting van nadere informatie over de mogelijkheid tot het onderbrengen. 24-01-2023
- Gerechtshof Den Haag In deze zaak moet worden beoordeeld of werknemer mocht vertrouwen op informatie van Pensioenfonds Aon, kort voor de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen, over de hoogte van zijn ouderdomspensioen. Daarbij was geen rekening gehouden met aftrek van het deel dat toekomt aan zijn ex-partner zo lang zij beiden in leven zijn. Werknemer meent aanspraak te hebben op schadevergoeding wegens schending van Pensioenfonds Aon van zijn informatieplicht. De mededeling van het pensioenfonds geeft geen recht aan de deelnemer. De informatie was niet onjuist in zoverre dat de deelnemer bij uitbetaling van het gehele pensioen zelf het vereveningsdeel aan de ex-echtgenote had moeten betalen. Schade is verder niet aannemelijk gemaakt. Ontvangst van het pensioen waarop volgens het reglement recht bestaat, is geen schade. 17-01-2023
- Gerechtshof Amsterdam Werknemer is werkzaam geweest bij Martinair. Die arbeidsovereenkomst is in 2016 geëindigd. Werknemer heeft tot 1 juli 2016 in de pensioenregeling van Martinair deelgenomen. In 2021 komt in rechte vast te staan dat KLM de activiteiten van Martinair heeft overgenomen ex artikel 7:633 BW. Werknemer is in 2021 een aanbod voor een arbeidsovereenkomst gedaan. Werknemer heeft dat aanvaard. In de tussentijd heeft werknemer bij andere werkgevers gewerkt, zonder deelname aan een pensioenregeling. In kort geding vordert de werknemer om met terugwerkende kracht in de pensioenregeling opgenomen te worden. Het hof wijst de vordering af. Onduidelijk is of de werknemer vanaf die jaren recht heeft op loon en daarmee pensioenopbouw. Werknemer heeft onvoldoende spoedeisend belang. Bij overlijden kan de procedure door nabestaanden worden voortgezet. 20-12-2022
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil tussen bedrijfspensioenfonds Rijn- en binnenvaart en Achmea over onbetaald gelaten facturen in verband met twijfel over juistheid facturen Achmea. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit hetgeen het Fonds naar voren heeft gebracht niet volgt dat het te veel (en dus onverschuldigd) heeft betaald en dat uit de door het Fonds in het geding gebrachte stukken niet blijkt dat er specifieke bedragen ten onrechte in rekening zijn gebracht. Het Fonds is tegen dit eindvonnis in hoger beroep gekomen. In dit incident vordert het Fonds op grond van artikel 843a Rv, samengevat, afschrift van of inzage in (I) de urenstaten die zien op de door Achmea voor het Fonds in de jaren 2014, 2015 en 2016 verrichte werkzaamheden, en (II) de uren die zien op de door Achmea voor het Fonds in die jaren verrichte werkzaamheden die uiteindelijk zijn vastgesteld in SAP CATS. Naar het oordeel van het hof heeft het Fonds een rechtmatig belang bij haar vordering. De SAP CATS over de jaren 2014, 2015 en 2016 houden namelijk rechtstreeks verband met de vordering uit onverschuldigde betaling die het Fonds op Achmea stelt te hebben, zijn relevant voor de bewijspositie van het Fonds en liggen exclusief in het domein van zijn voormalig opdrachtnemer Achmea. Al met al heeft het Fonds voldoende onderbouwd dat het enkel en alleen met de gevorderde inzage in staat is vast te stellen of Achmea bepaalde specifieke uren ten onrechte bij hem in rekening heeft gebracht, en zo ja welke uren. Het hof wijst de vordering gedeeltelijk toe. 26-01-2021
Rechtbank
- Rechtbank Rotterdam De rechtbank heeft in een tussenvonnis overwogen dat de werkgever volgens het sociaal plan de werknemer volgens de wederindiensttredingsvoorwaarde een vrijkomende functie had moeten aanbieden. De werkgever heeft in strijd daarmee gehandeld en moet de schade vergoeden. Eiser heeft gesteld dat zijn schade het gemiste werkgeversdeel van de pensioenpremie is. Het voornemen is in het tussenvonnis geuit om de schade op nihil te stellen. Eiser heeft zijn eis gewijzigd en vordert een nettobedrag van € 55.381,61 aan pensioenschade, € 249.132,40 aan inkomensschade en fiscale schade wegens betaling ineens. Eiser werkte fulltime bij zijn oude werkgever en parttime (80%) bij zijn huidige werkgever. Het door eiser gevorderde bedrag van € 55.381,61 is niet toewijsbaar. Als eiser daar tot de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst was gebleven had werkgever € 93.052 aan pensioenpremie voor hem betaald. De huidige werkgever van eiser betaalt tot die tijd € 78.862. Correctie vanwege het feit dat hoofdwerktuigkundigen bij de oude werkgever gemiddeld 4,28 jaar eerder met pensioen gaan, betekent een schade voor eiser van € 6.583,76. De kantonrechter zal dit bedrag aan schade toewijzen. De schade die eiser mogelijk lijdt door zijn ontslag is grotendeels verdisconteerd in de ontslagvergoeding. Hierbij komt dat eiser inmiddels en al geruime tijd ander werk heeft. De vordering van vergoeding van het fiscale nadeel doordat hij de schade-uitkering in één bedrag ontvangt, in elk geval bestaande uit de door hem te betalen vermogensrendementsheffing, is toewijsbaar. 21-04-2023
- Rechtbank Amsterdam Eiseres vordert opgave van opgebouwd pensioen en pensioengegevens en betaling van het haar toekomende pensioendeel. Gedaagde vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van de vorderingen van eiseres kennis te nemen en verzoekt om de zaak (op grond van artikel 71 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) naar de kantonrechter te verwijzen. De rechtbank oordeelt dat het zeer waarschijnlijk is dat de vorderingen tezamen meer dan € 25.000 bedragen. De onderdelen I, II en IV vallen ook niet onder het bereik van artikel 93 onder c of d Rv (aardvordering), zodat ook daarom de kantonrechter in dit geval niet bevoegd is om de zaak te behandelen. Eiseres mocht, volgens de hoofdregel van artikel 93 sub b Rv, de vordering dus bij de civiele kamer van deze rechtbank aanbrengen en de incidentele vordering zal dus worden afgewezen. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. 19-04-2023
- Rechtbank Midden-Nederland Deze zaak gaat over de vraag of eiseres in de periode van 1 juni 2014 tot 1 januari 2021 onder de werkingssfeer viel van het Besluit verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds Zorg en Welzijn. Deelneming was tot die datum verplicht voor werknemers van werkgevers in de intramurale en/of extramurale zorg, waaronder rechtspersonen die zorg of hulp verleenden in de vorm van uitleen van verpleegartikelen. Eiseres richt zich op de levering en uitleen van: hoog/laag-bedden met toebehoren; scootmobielen, aangepaste fietsen, loophulpmiddelen; badliften, badplanken, toilet- en douchestoelen; drempelhulp, rolstoelen, trippenstoelen en aangepaste stoelen; andere voorzieningen op het vlak van het faciliteren in het zelf wassen, zelfstandige toiletgang, enz. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever onder de werkingssfeerbepaling valt. 19-04-2023
- Rechtbank Midden-Nederland Statutair bestuurder heeft zich niet kunnen voorbereiden op ontslag in AVA. Per direct statutair bestuurder op non-actief stellen vlak voor vakantie en het plannen van de AVA na zijn vakantie is in strijd met goed werkgeverschap. De rechtbank kent een billijke vergoeding toe van € 74.000. 18-04-2023
- Rechtbank Rotterdam Na echtscheiding ontstaat een geschil over de verevening van het ouderdomspensioen en het in eigen beheer opgebouwd pensioen. De rechtbank constateert dat niet gesteld of gebleken is wat de commerciële waarde van de pensioenaanspraak van de vrouw (per het tijdstip van afstorting) is. Hierom is de door de vrouw verzochte verklaring voor recht dat overgegaan moet worden tot afstorting van haar pensioenaanspraak niet toewijsbaar. In kort geding stelt zij in een executiegeschil dat dit een kennelijke misslag is. De rechtbank oordeelt anders. De deskundige ging uit van 1 juli 2013 en heeft zich niet uitgelaten over de commerciële waarde van de pensioenaanspraak op het tijdstip van afstorting door [bedrijf01]. Het verzoek tot afstorting is afgewezen. De verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning moet worden aangewend om een schuld af te lossen en kan daarom niet dienen tot zekerheid van eventuele pensioenaanspraken van de vrouw. 12-04-2023
- Rechtbank Den Haag Militair heeft na ongevallen in 1994 en 1996 beperkingen ondervonden. Hij is op 1 november 2001 ontslagen. In 2003 verzoekt hij om militair invaliditeitspensioen. Op die aanvraag is geen besluit genomen. Op 13 maart 2016 verzoekt hij het opnieuw. In 2018 wordt het toegekend met terugwerkende kracht vanaf 15 maart 2015. In 2021 komt hij in aanmerking voor bijzondere uitkering op grond van de Regeling Ereschuld. Op 26 juli 2021 verzoekt hij om volledige schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat eiser niet weerspreekt dat de relatieve en de absolute verjaringstermijn van de vordering tot schadevergoeding zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dat de verjaringstermijn niet is gestuit of later is aangevangen dan verweerder heeft aangenomen. Ook de redelijkheid en billijkheid maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verjaring niet aan eiser mag worden tegengeworpen. 29-03-2023
- Rechtbank Rotterdam Dit is de eindbeschikking in een langlopende echtscheidingsprocedure. Deze beslissing gaat onder meer over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime en de verevening van het pensioen. Voor de afwikkeling heeft een deskundige de waarde van de aandelen van diverse ondernemingen bepaald. De bezwaren tegen het deskundigenbericht worden verworpen. Bij het bepalen van de waarde van de in de verrekening te betrekken aandelen moet rekening gehouden worden met de daaraan verbonden AB-claim, vergelijkbaar met de situatie waarin sprake is van het uitkeren van dividend of bij het vervreemden van de aandelen. Deze latente belastingclaim wordt op dezelfde wijze gewaardeerd als het onderliggende vermogensbestanddeel waarover belasting zal worden geheven (een AB-claim van 25%). Er is geen sprake van een in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime (of nalatenschap) ontstane belastingverplichting, die al dan niet geruisloos kan worden doorgeschoven naar de toekomst. De rechtbank veroordeelt de man om aan de vrouw ter zake van het voorhuwelijkse vermogen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te betalen het bedrag van € 33.999,90. Ten aanzien van de verzochte verklaring voor recht dat de pensioenaanspraken moeten worden verevend overeenkomstig de Wvps is overwogen dat de vrouw van rechtswege recht heeft op pensioenverevening en dus geen belang heeft bij haar verzoek. Dit geldt eveneens voor het in eigen beheer opgebouwde pensioen. De rechtbank constateert dat niet gesteld of gebleken is wat de commerciële waarde van de pensioenaanspraak van de vrouw per nu (het tijdstip van afstorting) is. Al hierom is de door de vrouw verzochte verklaring voor recht dat overgegaan moet worden tot afstorting van haar pensioenaanspraak niet toewijsbaar. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of er voldoende kapitaal binnen [naam bedrijf 1] aanwezig is om tot afstorting over te gaan zonder dat de continuïteit van de onderneming in gevaar wordt gebracht en – als sprake is van een tekort – aanleiding bestaat om dat toe te rekenen aan de man. 28-02-2023
- Rechtbank Noord-Holland De vrouw (onderhoudsplichtige) is minder gaan werken en wil met vervroegd pensioen. Partijen leggen aan de rechtbank ter beoordeling voor of de vrouw deze keuzes mag maken, gelet op haar onderhoudsplicht jegens de man. De rechtbank oordeelt dat niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij blijft werken. Het werk valt de vrouw fysiek en mentaal zwaar. Bovendien hebben partijen tijdens het huwelijk de afspraak gemaakt dat zij op termijn beiden minder zouden gaan werken. De partneralimentatie wordt (getrapt) verlaagd en op nihil gesteld. 17-02-2023
- Rechtbank Den Haag Geschil over hoogte militair arbeidsongeschiktheidspensioen van oud-Libanonganger met PTSS. De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 8 augustus 2017 een militair invaliditeitspensioen is toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 23%. In het kader van een herbeoordeling is de mate van invaliditeit vastgesteld op 20,42% (afgerond 21%). Eiser maakt bezwaar. Verweerder heeft op basis van de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 27 juli 2017 geen oorzakelijk maar wel een verergerend dienstverband voor de PTSS aanvaard. Daarbij is verder geen dienstverband aanvaard voor de persoonlijkheidsstoornis. Verweerder mocht bij de vaststelling van de mate van invaliditeit per 1 februari 2021 uitgaan van het in 2017 vastgestelde verergerend dienstverband voor de PTSS en de afwezigheid van een oorzakelijk dienstverband voor de persoonlijkheidsstoornis. Er zijn geen nova. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder de mate van invaliditeit met dienstverband op de peildatum met een percentage van in totaal 20,42% (afgerond 21%) niet heeft onderschat. 18-01-2023
- Rechtbank Midden-Nederland Geschil over de uitleg van een pensioenverzekering voor een werknemer met een garantieclausule. Eiseres stelt zich – kort samengevat – op het standpunt stelt dat het garantierendement van 3,5% per jaar van toepassing is op alle ingelegde premies. Scildon stelt zich op het standpunt dat een verhoging van de ingelegde premie niet leidt tot een verhoging van de garantie op de einddatum. Het KIFID heeft de klacht van werknemer gegrond verklaard. De kantonrechter komt met toepassing van de geobjectiveerde uitlegnorm tot een ander oordeel dan het KiFiD. Gezien de verwijzing in de garantieclausule naar de gehele vooraf overeengekomen duur van de premiebetaling, ligt het naar het oordeel van de kantonrechter voor de hand dat premieverhogingen alleen tot een hogere garantie kunnen leiden als deze gedurende de gehele looptijd van de verzekeringsovereenkomst (34 jaar) zijn ingelegd. De premieverhogingen die na 2002 zijn doorgevoerd voldoen echter niet aan deze voorwaarde. De uitleg die eiseres aan de clausule geeft, zou tot het onaannemelijke resultaat leiden dat ook een premieverhoging die vlak voor het einde van de looptijd van de verzekeringsovereenkomst wordt doorgevoerd en die daardoor nauwelijks heeft kunnen renderen, tot een verhoging van de garantie op de einddatum zou leiden. Eiseres heeft de stelling van Scildon dat een dergelijke garantie niet kan worden herverzekerd omdat het bedrag van de garantie en de looptijd niet vaststaan, niet gemotiveerd weersproken. 18-01-2023
- Rechtbank Midden-Nederland Deze zaak draait om de vraag of gedaagde vanwege een schending van de regels omtrent waardeoverdracht (die inmiddels in de Pensioenwet staan waardoor de ‘Regelen verzekeringsovereenkomsten pensioen en Spaarfondsenwet’ zijn komen te vervallen) gehouden is om aan werknemer de door hem gevorderde pensioenschade te vergoeden. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Tussen partijen staat vast dat de waardeoverdracht in ieder geval ten tijde van de brief van [onderneming 3] van 27 oktober 1998 was geëffectueerd. Als daarbij de lange verjaringstermijn van 20 jaar wordt opgeteld dan betekent dat dat de lange verjaringstermijn op 27 oktober 2018 was voltooid. Werknemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de verjaring in die periode heeft gestuit. Artikel 59 van de Pensioenwet staat een beroep op verjaring van gedaagde niet in de weg. In dit artikel staat dat een pensioenuitkering niet kan verjaren zolang de rechthebbende in leven is. In dit geval weigert gedaagde echter niet om een pensioenuitkering aan werknemer te doen, maar om een schadevergoeding aan hem te voldoen. Op die laatste situatie is artikel 59 van de Pensioenwet niet van toepassing. Het beroep op verjaring slaagt. 18-01-2023
- Rechtbank Noord-Holland Deze zaak gaat over de vraag (1) of eiseres vanaf 1 januari 2009 als salary partner bij Tanger werkzaam is geweest, (2) of Tanger eiseres had moeten informeren over de wijziging van de pensioenregeling en (3) of eiseres vanaf 1 januari 2011 tot het einde van de arbeidsovereenkomst in 2020 pensioenschade heeft geleden en zo ja hoeveel. De kantonrechter beantwoordt de eerste twee vragen bevestigend. Eventuele schade kan worden begroot aan de hand van de leer van de kansschade. Hierover mogen partijen een nadere akte nemen. 11-01-2023
- Rechtbank Noord-Holland Voor werknemers bestond tot 1 januari 2022 een eindloonregeling. Die is na opzegging door het pensioenfonds van de uitvoeringsovereenkomst geëindigd. Het pensioenfonds was niet meer in staat die regeling (adequaat) uit te voeren. De werkgever heeft geen andere partij gevonden die de eindloonregeling kan uitvoeren. Werknemers vorderen continuering van de eindloonregeling in kort geding. De vordering wordt afgewezen omdat de rechter in kort geding niet kan beoordelen of er een uitvoerder voor is. Daarbij is meegewogen dat de advocaat van de werknemers ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat zij niet durft te zeggen of/welke partijen er in de markt zijn die nog een eindloonregeling aanbieden en dat zij daar geen navraag naar heeft gedaan. Aangevoerd is dat de uitvoering van een middelloonregeling een mogelijkheid is, maar daar ziet de vordering van werknemers niet op. 11-01-2023
- Rechtbank Den Haag Waar het in deze procedure in hoofdzaak over gaat, is de vraag of de verplichtstelling voor deelname aan MITT ook geldt indien de activiteiten van de betreffende onderneming slechts een klein of zelfs een verwaarloosbaar aandeel in de bedrijfsactiviteiten uitmaken. Niet in geschil is dat – strikt volgens de tekst van het Besluit – een onderneming die slechts een beperkt of zelfs een verwaarloosbaar deel van haar omzet uit bedrijfsactiviteiten haalt die onder de betreffende definitie van het Besluit vallen, onder de verplichtstelling valt en dat is ook precies wat MITT in deze procedure betoogt. De verplichtstelling kent geen hoofdzaak-criterium. Het staat vast dat de onderneming activiteiten verricht waarop de werkingssfeer betrekking heeft. Het aandeel daarvan in de omzet is volgens het vonnis minder dan 5%. De rechtbank overweegt dat er bij een verplichtstellingsbesluit dat geen hoofdzaakcriterium kent sprake kan zijn van een zekere ondergrens, waarbij het aandeel van de betreffende activiteit ten opzichte van het totaal en de vraag of de betreffende activiteit tot de hoofdactiviteiten van de onderneming behoort of niet, van invloed kunnen zijn op de beoordeling. De stelling van MITT dat ook bij een verwaarloosbaar percentage van minder dan 1% de betreffende onderneming zich verplicht dient aan te sluiten bij MITT, is onhoudbaar. De rechtbank concludeert dat de onderneming niet verplicht aangesloten is bij Bpf MITT. 10-01-2023
- Rechtbank Midden-Nederland Geschil over onder meer de vraag of het door de DGA opgebouwd pensioen in eigen beheer moet worden verevend en afgestort. De rechtbank gaat bij de bepaling van de hoogte van de aanspraak van de vrouw uit van de waarde van het opgebouwde pensioen per peildatum. Weliswaar volgt uit het deskundigenbericht dat partijen het eens waren over de waarde daarvan, te weten € 3.167.000, maar de rechtbank volgt de vrouw in haar standpunt dat het deskundigenbericht op dit punt gecorrigeerd moet worden. De waarde van de pensioenvoorziening zoals opgenomen in het deskundigenbericht is namelijk onjuist berekend. Op grond van de WVPS heeft de vrouw recht op 50% van het OP en 100% van het NP en dat is onjuist vermeld in de pensioenberekening. De rechtbank is van oordeel dat afstorting van de man kan worden gevergd, omdat gedaagde in het licht van de stellingen van de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat er onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren en dat de benodigde liquide middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. De rechtbank veroordeelt gedaagde om zorg te dragen voor afstorting van een nog door [A] te herberekenen bedrag uit hoofde van pensioenverevening bij een door de vrouw aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij, binnen één maand na de datum van de herberekening van [A]. 04-01-2023
- Rechtbank Den Haag Onderneming heeft (bedrijf) DGA geadviseerd over wetswijziging pensioen in eigen beheer. Geadviseerd is tot afkoop over te gaan. Nadien stelt (bedrijf) DGA de onderneming aansprakelijk voor schade, bestaande uit meer inkomstenbelasting betalen dan bij voortzetting. De onderneming stelt dat er geen schade is doordat afkoop per saldo gunstiger was in verband met de combinatie van inkomsten- en vennootschapsbelasting. De rechtbank oordeelt dat terecht niet alleen is gekeken naar de gevolgen voor de afdracht van inkomstenbelasting, maar ook naar de afdracht van de vennootschapsbelasting door de vennootschap. De rechtbank oordeelt dat Cash Flow met haar advies in het kader van de door eiser verstrekte opdracht heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. 28-12-2022
- Rechtbank Overijssel Geschil over verevening van pensioen bij scheiding. De vrouw heeft recht op uitbetaling van de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen, ook over de verstreken periode. Beroep op rechtsverwerking, onredelijke bezwaring/benadeling en redelijkheid en billijkheid slaagt niet. De rechtbank gaat uit van de door het Pensioenfonds gehanteerde indexeringen. De man heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat de verhogingen van zijn pensioenaanspraken het gevolg zijn van zijn individuele carrière. 21-12-2022
- Rechtbank Midden-Nederland Bedrijfstakpensioenfonds VLEP heeft (voormalig ingeschreven) bestuurder hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor premievorderingen uit 2018 en 2019 en een dwangbevel uitgereikt. Voormalig bestuurder komt in verzet. Aan de inschrijving in het Handelsregister kan het vermoeden worden ontleend dat de ingeschreven persoon bestuurder was. Het is aan [opposant] om zijn verweer dat hij in werkelijkheid geen bestuurder was deugdelijk te motiveren, maar dat heeft hij niet gedaan. In de periode dat hij nog niet ingeschreven was – voor 27 februari 2019 – kan hem het niet melden van de betalingsonmacht van [onderneming 1] niet worden verweten. Er kan dan ook geen sprake zijn geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur van zijn kant in de periode van drie jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop [onderneming 1] met haar betalingsverplichting in gebreke was met de betaling van de pensioenbijdragen. VLEP heeft geen premienota’s in het geding gebracht waaruit dit kan worden afgeleid en heeft hierover verder niets gesteld. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld welke premienota’s opeisbaar zijn geworden in de periode dat [opposant] bestuurder was van [onderneming 1] en wanneer [opposant] ten aanzien van deze premienota’s een melding van betalingsonmacht had moeten doen. Daarom kan ook niet worden vastgesteld of, en zo ja ten aanzien van welke premienota’s, [opposant] op grond van artikel 23 lid 4 Wet Bpf hoofdelijk aansprakelijk is. Dit komt voor risico van VLEP. Het verzet van [opposant] tegen het dwangbevel van VLEP van 17 maart 2022 wordt daarom gegrond verklaard en de vordering van [opposant] om het dwangbevel buiten effect te stellen wordt toegewezen. 21-12-2022
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Geschil over de vraag onder welke werkingssfeer een onderneming valt. De werkgever is aangesloten bij het bedrijfstakpensioenfonds voor de handel in bouwmaterialen (Bpf Hibin). Het bedrijfstakpensioenfonds voor de bouw (Bpf Bouwnijverheid) meent dat de werkgever activiteiten verricht die onder zijn werkingssfeer vallen. De rechtbank oordeelt gelet op de activiteiten van de werkgever uit werkingssfeeronderzoeken en de eigen website dat de werkgever onder Bpf Bouwnijverheid valt. De inschrijving van activiteiten in de KvK acht de rechtbank niet van doorslaggevende betekenis, net zo min als de wijze van facturering. De rechtbank veroordeelt de werkgever tot aansluiting bij Bpf Bouwnijverheid per 1 juli 2023. 14-12-2022
- Rechtbank Gelderland Geschil over echtscheiding en de afwikkeling van het huwelijksvermogen. Partijen hebben de Nederlandse en de Iraanse nationaliteit. Op grond van artikel 5 van de Verordening (EU) van de Raad van de Europese Unie van 24 juni 2016 is de Nederlandse rechter bevoegd van de huwelijksvermogensrechtelijke verzoeken kennis te nemen. Het toepasselijke recht wordt ingevolge artikel 10:52 van het Burgerlijk Wetboek bepaald aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. De huwelijkse voorwaarden zijn in Iran ten overstaan van een Iraanse ambtenaar opgemaakt. Met de huwelijkse voorwaarden hebben partijen duidelijk een ondubbelzinnige keuze gemaakt voor Iraans recht en op basis van dit uitgangspunt is toepassing van het wagonstelsel uitgesloten. Indien de man pensioen heeft opgebouwd in Nederland, dient dit op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding te worden verevend, voor zover dit tijdens het huwelijk is opgebouwd. Dit sluit ook aan bij de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden om het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen van de man voor de helft aan de vrouw over te dragen. Alleen als partijen het oneens zijn over de uitleg van een overeenkomst of bepaling in de huwelijkse voorwaarden met betrekking tot de pensioenverevening en zij de rechter verzoeken hierover een beslissing te nemen, wordt de beslissing van de rechter hierover in het dictum opgenomen. 16-11-2022
- Rechtbank Limburg Eiseres vordert een bedrag wegens gemiste indexatie. Zij verwijt het ABP dat het beleggingsbeleid in strijd was met het prudent person-beginsel. Daardoor was sprake van koersverlies en kon niet worden geïndexeerd. De kantonrechter wijst de vorderingen af. 13-07-2022
- Rechtbank Amsterdam UvA verzoekt ontbinding arbeidsovereenkomst met hoogleraar. De rechtbank oordeelt dat uit de feiten niet kan worden afgeleid dat de kritiek terecht was. Het handelen van de universiteit is ernstig verwijtbaar. De kantonrechter kent naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toe van € 85.000. De gestelde pensioenschade is niet onderbouwd en wordt daarom niet meegewogen. 01-04-2022
- Rechtbank Den Haag Geschil over pensioenverdeling na eerder geslaagd pensioenverweer. De rechtbank constateert dat de omstandigheden zijn gewijzigd ten opzichte van het eerder geslaagde pensioenverweer. De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en bepaalt dat de vrouw aan de man uit hoofde van onverschuldigde betaling moet betalen een bedrag van US$ 555.502,63. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat het als gevolg van de scheiding aan de vrouw toekomende deel van het ouderdomspensioen van de man conform de in de huwelijkse voorwaarden opgenomen mogelijkheid gedeeltelijk zal worden vervangen door een bedrag ineens gelijk aan 40% van de in het kader van zijn ouderdomspensioen uitgekeerde eenmalige betaling van US$ 555.502,63. Het aan de vrouw toekomende deel van het ouderdomspensioen van de man is gelijk aan 40%, uitgaande van het feitelijke (door de gedeeltelijke afkoop gekorte) ouderdomspensioen van de man. Het ouderdomspensioen van de vrouw zal niet worden verevend conform de Wet verevening Pensioenrechten bij scheiding. De man zal zijn medewerking verlenen aan een tijdige toezending van het ‘Formulier Mededeling van scheiding in verband met verdeling van ouderdomspensioen’ waarin is opgenomen dat géén sprake is van verevening van het ouderdomspensioen van de vrouw. 29-10-2021
Antillen
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao Caraïbische zaak. Werkneemster van overzees ziekenhuis nam deel aan een spaarfondsregeling van Crown Life. Ennia heeft een pensioenovereenkomst gesloten met het ziekenhuis. In het toepasselijke pensioenreglement stond een overgangsregeling. Werkneemster vordert uitbetaling van het opgebouwde spaarfondssaldo. Ennia weigert uitbetaling. Ennia Caribe Leven heeft onbetwist aangevoerd dat op grond van artikel 17 lid 8 van het pensioenreglement het saldo van eiseres volledig is aangewend om backservicepensioenrechten in te kopen en dat er dus geen restantsaldo is om ineens uit te keren. Voor zover uit haar vordering moet worden afgeleid dat eiseres zich op het standpunt stelt dat artikel 17 lid 8 van het pensioenreglement ten onrechte of verkeerd op haar is toegepast, heeft zij hiertoe onvoldoende gesteld. Het gerecht wijst haar vorderingen af. 15-02-2023
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Gewezen Statenlid Caraïbisch gebied verzoekt op 4 juni 2020 om pensioenuitkering als gewezen politiek ambtsdrager. Zijn verzoek is op 28 augustus – ontvangen op 17 september – afgewezen omdat hij nog geen 65 jaar was. Op 10 november 2021 is alsnog beschikt op het bezwaar door hem niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding. Blijkens de beschikking van 28 augustus 2020 komt appellant met ingang van 2 mei 2025 wel in aanmerking voor de verzochte uitkering. 23-11-2022