Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 5, editie 9. Daarin vindt u een overzicht van twaalf in september 2022 gepubliceerde uitspraken over pensioen. U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
HR vernietigt indexatie-arresten Hof Amsterdam over Euronext (PR 2022-0174)
In dit arrest vernietigt de Hoge Raad de arresten van het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2019:1452, PR 2019-0103 en ECLI:NL:GHAMS:2020:2080, PR 2020-0128). Daarin had het hof werkgever Euronext onder meer veroordeeld om voor een bepaalde groep slapers en pensioengerechtigden de korting ongedaan te maken en hen qua indexatie gelijk te behandelen omdat hun indexatieperspectief was verdwenen maar de andere groep nog uitzicht had op voorwaardelijke indexatie. Daartoe moest Euronext een uitvoeringsovereenkomst sluiten volgens het hof. De Hoge Raad oordeelt in een lijvig arrest dat de uitspraken niet in stand kunnen blijven. Daarbij overweegt hij onder meer dat de verplichting tot gelijke behandeling (art. 58 PW) gericht is tot de pensioenuitvoerder en niet tot de werkgever. Ook de uitleg van de wettelijke verplichting tot ongelijke behandeling tussen slapers en pensioengerechtigden in dezelfde pensioenregeling was volgens de Hoge Raad onjuist. Tevens oordeelt hij dat Euronext niet verplicht was om een nieuwe uitvoeringsovereenkomst te sluiten. Eveneens noemenswaardig is dat de Hoge Raad duidelijk maakt dat deelnemers via een derdenbeding weliswaar partij kunnen worden bij de uitvoeringsovereenkomst, maar dat zij daarmee geen instemmingsrecht hebben ten aanzien alle onderdelen van die uitvoeringovereenkomst. Ten aanzien van de verplichting tot goed werkgeverschap van Euronext om te indexeren verwijst de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1267) de zaak terug naar het hof Den Haag. De zaak wordt dus vervolgd.
HR laat oordeel hof dat FrieslandCampina na opzegging (PR 2022-0175) uitvoeringsovereenkomst schadeplichtig is jegens pensioenfonds in stand
Deze pensioenzaak betreft een geschil tussen FrieslandCampina en haar pensioenfonds. FrieslandCampina heeft de uitvoeringsovereenkomst opgezegd. De centrale vraag is of de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst gepaard diende te gaan met een aanbod tot betaling van (schade)vergoeding door de werkgever wegens de gevolgen van die opzegging voor de mogelijkheid om aan inactieven perspectief op indexering van pensioenrechten en -aanspraken te kunnen blijven bieden. Anders dan de kantonrechter oordeelde het hof dat FrieslandCampina gehouden is tot het betalen van een vergoeding aan Stichting Pensioenfonds Campina (SPC) in verband met de gevolgen van de beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst. Het hof baseerde dit oordeel op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid waarbij strijd met goed werkgeverschap een van de relevante omstandigheden is. De Hoge Raad laat het arrest van het hof in stand zonder dat inhoudelijk te motiveren onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO (ECLI:NL:HR:2022:1234).
Koper moet na overgang onderneming oude pensioenovereenkomst nakomen als nieuwe pensioenovereenkomst voor overgang niet rechtsgeldig is gewijzigd (PR 2022-0179)
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde deze maand over een al dan niet rechtsgeldige wijziging van de pensioenregeling vóór overgang van onderneming. De oude werkgever had kort voor de overname een pensioenversobering doorgevoerd. Dat gebeurde zonder eenzijdig wijzigingsbeding. De werknemer protesteerde tijdig. Het hof oordeelde dat de pensioenovereenkomst niet rechtsgeldig is gewijzigd voor de overgang. De nieuwe werkgever moet de ‘oude’ pensioentoezegging gestand doen. Hij is niet verplicht een uitvoeringsovereenkomst met de oude pensioenverzekeraar te sluiten. De onderbrengingsplicht van een pensioenregeling bij een pensioenuitvoerder is op grond van artikel 23 Pensioenwet aan de werkgever. De individuele werknemer heeft daarbij geen instemmingsrecht. De nieuwe werkgever is eveneens gebonden aan overige arbeidsvoorwaarden, voor zover die op het moment van de overname nog golden (ECLI:NL:GHARL:2022:7905).
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar pr-updates@budh.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
Raadsheer-plaatsvervanger Hof Den Bosch
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hoge Raad
- Hoge Raad Geschil over ongelijke behandeling indexatie door Euronext. Het pensioenfonds is eind 2013 in liquidatie gegaan. Euronext heeft per 1 januari 2014 voor actieve werknemers een nieuwe pensioenovereenkomst gesloten die voorziet in voorwaardelijke indexatie en deze ondergebracht bij Delta Lloyd. De pensioenrechten en -aanspraken die bij het pensioenfonds waren opgebouwd, zijn door dat fonds overgedragen aan Delta Lloyd. Daarbij kon een in april 2013 vastgestelde korting op de pensioenen van 3% uiteindelijk (met terugwerkende kracht) worden beperkt tot 1,55%. Voor hen die niet onder de nieuwe regeling vallen – onder wie bij VPE aangesloten gepensioneerden en gewezen deelnemers – voorziet de sinds 1 januari 2014 geldende pensioenregeling niet in een voorwaardelijk recht op indexatie. De vereniging van pensioengerechtigden Euronext c.s. willen met deze procedure bereiken dat gepensioneerden en gewezen deelnemers net als vóór 2014 op het punt van de indexatie gelijk worden behandeld met de actieve werknemers. Zij eisen tevens dat de pensioenkorting van 1,55% voor hen wordt teruggedraaid. Het gerechtshof heeft hen grotendeels in het gelijk gesteld, onder meer overwegende dat Euronext hen ongelijk behandeld heeft ex artikel 58 PW, een uitvoeringsovereenkomst had moeten sluiten en niet als goed werkgever heeft gehandeld. Voor zover de overwegingen van het hof zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat artikel 58 Pw een verplichting op Euronext als werkgever legt, gaan zij uit van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de opneming van artikel 58 Pw in hoofdstuk 4 van de Pensioenwet, richt artikel 58 Pw zich tot de pensioenuitvoerder en niet tot de werkgever, aldus de Hoge Raad. Uit artikel 58 lid 1 en lid 3 Pw volgt niet dat gewezen deelnemers en gepensioneerden op gelijke wijze moeten worden behandeld als actieven. Die bepalingen verzetten zich immers, gelet op de bewoordingen ervan en de parlementaire geschiedenis, alleen tegen een onderscheid dat kan ontstaan in het geval van verhoging van een ouderdomspensioenrecht door middel van een toeslag. Verhoging van pensioenaanspraken van bij Euronext op 1 januari 2014 actieven door middel van een toeslag kan dus niet leiden tot een door artikel 58 lid 1 en lid 3 Pw verboden onderscheid. Evenmin volgt uit artikel 58 lid 1 en lid 3 Pw dat als een ouderdomspensioenrecht van een (actief) gepensioneerde die op 1 januari 2014 als werknemer bij Euronext in dienst was, wordt verhoogd op grond van de pensioenregeling neergelegd in de CAO 2014, het ouderdomspensioenrecht of de aanspraak op ouderdomspensioen van personen die voor 1 januari 2014 gepensioneerde of gewezen deelnemer in de door PMA (en na de collectieve waardeoverdracht Delta Lloyd) uitgevoerde pensioenregelingen zijn geworden, in dezelfde mate moet worden verhoogd. Deze personen hebben immers niet deelgenomen in de pensioenregeling neergelegd in de CAO 2014 waarin de toeslagen hun grondslag vinden, zodat niet voldaan wordt aan het vereiste van ‘deelgenomen hebben in dezelfde pensioenregeling’. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat een gewezen deelnemer en een pensioengerechtigde niet langer pensioenaanspraken verwerven. Verder volgt daaruit dat de werkgever op grond van artikel 23 Pw een uitvoeringsovereenkomst met een pensioenuitvoerder dient te sluiten en in stand te houden zolang er sprake is van verwerving van pensioenaanspraken. De verplichting voor Euronext op grond van artikel 23 Pw (zie hiervoor in 3.4.19) strekte dus niet zover dat zij bij opzegging van de uitvoeringsovereenkomst met PMA gehouden was om niet alleen voor de op 1 januari 2014 actieven – voor wie de verwerving van pensioenaanspraken nog niet was geëindigd – maar ook, zoals het hof heeft geoordeeld, voor degenen die al voor 1 januari 2014 gepensioneerde of gewezen deelnemer waren geworden – en voor wie de verwerving van pensioenaanspraken dus al wel was geëindigd – de uitvoeringsovereenkomst met PMA in stand te houden dan wel een nieuwe uitvoeringsovereenkomst te sluiten. Het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat artikel 23 Pw Euronext ertoe verplichtte de uitvoeringsovereenkomst met PMA te continueren of een nieuwe uitvoeringsovereenkomst met Delta Lloyd te sluiten voor de op 1 januari 2014 niet meer actieven, geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het hof heeft Euronext de norm van goed werkgeverschap geschonden omdat zij bij de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van haar (voormalige) werknemers door niet te voorzien in een regeling tot behoud van het indexatieperspectief ten aanzien van hun pensioenaanspraken en -rechten. Uit de beslissing van het hof blijkt niet hoe dit oordeel zich verhoudt tot de door het hof niet verworpen stellingen van Euronext. Aldus heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. De enkele omstandigheid dat een werknemer door aanvaarding van de begunstiging op grond van artikel 6:254 lid 1 BW als partij bij de uitvoeringsovereenkomst geldt, brengt niet mee dat de werknemer op die grond jegens de werkgever recht heeft op nakoming van diens in de uitvoeringsovereenkomst neergelegde (financiële) verplichtingen jegens de pensioenuitvoerder. Een zodanig recht op nakoming vloeit ook niet voort uit de Pensioenwet. De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof Amsterdam en verwijst het geding naar het hof Den Haag. 23-09-2022
- Hoge Raad Deze pensioenzaak betreft een geschil tussen FrieslandCampina en haar pensioenfonds. FrieslandCampina heeft de uitvoeringsovereenkomst opgezegd. De centrale vraag is of de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst gepaard diende te gaan met een aanbod tot betaling van (schade)vergoeding door de werkgever wegens de gevolgen van die opzegging voor de mogelijkheid om aan inactieven perspectief op indexering van pensioenrechten en -aanspraken te kunnen blijven bieden. Anders dan de kantonrechter oordeelde het hof dat FrieslandCampina gehouden is tot het betalen van een vergoeding aan SPC in verband met de gevolgen van de beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst. Het hof baseerde dit oordeel op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) waarbij strijd met goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) een van de relevante omstandigheden is. De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 16-09-2022
Hof
- Gerechtshof Den Haag Geschil over bestuurdersaansprakelijkheid van bestuurder voor betalingsachterstand van schoonmaakbedrijf bij bedrijfstakpensioenfonds. Bij tussenarrest van 27 juni 2021 heeft het hof voorshands geoordeeld dat is bewezen dat appellant in de periode waarin de in het geding zijnde betalingsachterstand is ontstaan het beleid van Schoonmaakbedrijf (mede) heeft bepaald als ware hij bestuurder, in de zin van artikel 23 lid 6 onderdeel b Wet Bpf 2000. Het voorshands oordeel is niet ontzenuwd. Het hof oordeelt dat matiging niet mogelijk is aangezien het pensioenfonds geen schadevergoeding vordert. Ook de grief tegen wettelijke rente faalt. 27-09-2022
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting en een periodiek verrekenbeding. De man heeft pensioen in eigen beheer opgebouwd. Bij beschikking van 22 mei 2019 heeft de rechtbank Limburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 5 juni 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man en de vrouw hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in de door beiden op 18 april 2019 ondertekende vaststellingsovereenkomst/convenant (hierna: het convenant). In het convenant is naast de verdeling onder meer bepaald dat de vrouw afstand doet van pensioen. Tevens is finale kwijting overeengekomen. Het hof constateert dat gelet op de beschikbare informatie het convenant kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:900 BW. Zowel het beroep op dwaling als op onrechtmatig handelen van de man wordt verworpen. De vrouw was bekend met een in eigen beheer opgebouwd ouderdomspensioen, en ook met de hoogte van het bedrag aan pensioenvoorziening en de waarschuwing van [naam 3] dat de waarde van de aandelen in de bv, gelet op de pensioenvoorziening op de balans, te hoog lijkt. 20-09-2022
- Gerechtshof Amsterdam Appellant heeft een hypothecaire geldlening afgesloten bij ING, die is vastgelegd in een notariële akte. Na uitwinning van het hypotheekrecht bleef een restschuld over. Om deze vordering te innen heeft ING uit kracht van de notariële akte executoriaal derdenbeslag gelegd onder een pensioenfonds waarvan appellant een maandelijkse pensioenuitkering ontvangt. Appellant vordert onder meer opheffing althans schorsing van dit beslag. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd. In hoger beroep schorst het hof het derdenbeslag. Appellant wordt op dit moment onevenredig hard getroffen door het beslag op zijn periodieke (pensioen)uitkeringen. Appellant heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, zolang het beslag voortduurt, niet in staat zal zijn om ten minste zijn vaste lasten te voldoen en dat hij aangewezen zal zijn op de financiële hulp en bijstand van derden (vrienden en familie) met mogelijk een beroep op de Wsnp in het verschiet. Het belang van ING om thans haar vordering te incasseren door middel van het beslag steekt hier schril bij af. 20-09-2022
- Gerechtshof Amsterdam Geschil tussen Visitatiecommissie Pensioenfondsen B.V. (VCP) en consultant (geïntimeerde) die in opdracht visitaties (intern toezicht bij pensioenfondsen) verricht. Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten. Geïntimeerde heeft als lid van de visitatiecommissie werkzaamheden verricht bij pensioenfonds Thales. Hij zegt de overeenkomst op met inachtneming van de opzegtermijn. Op enig moment is hij benoemd als RvT-lid bij Thales. VCP maakt aanspraak op onder meer vergoedingen voor verrichte en nog te verrichten werkzaamheden en wijst op het relatiebeding. Het hof legt de overeenkomst zo uit dat geïntimeerde geen vergoeding moet betalen voor zijn werkzaamheden voor Chemours, die nog geen cliënt was van VCP. Geïntimeerde hoeft gelet op de reikwijdte van het relatiebeding (visitaties, niet RvT-werkzaamheden) geen vergoeding te betalen voor zijn werkzaamheden als RvT-lid van het pensioenfonds Thales. 20-09-2022
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Ontslagzaak. Geschil tussen werkgever en verzorgende IG die ziek is uitgevallen. Het hof oordeelt dat niet is voldaan aan de eis van ernstige verwijtbaarheid. Er is daarom geen grondslag voor een billijke vergoeding. Het hof oordeelt dat werkgeefster haar zorgplicht als omschreven in artikel 7:658 lid 1 BW jegens werknemer niet is nagekomen. Werknemer had als verzorgende IG de verantwoordelijkheid voor een groot aantal cliënten die verspreid verblijven in appartementen en aanleunwoningen. Vanaf mei 2016 heeft werknemer meermaals aandacht gevraagd voor de situatie en aangekaart dat het automatiseren van de te verlenen zorgcontacten (via beeld/luisterverbinding) feitelijk niet werkte, hij bij gelijktijdige alarmeringen van patiënten onvoldoende zorg kon leveren en de afstand die hij moest overbruggen tussen de verdiepingen (zonder dat hij de lift mocht gebruiken omdat hij de enige verzorgende IG was) aanzienlijk was evenals de afstand naar de aanleunwoningen. Om deze redenen had werkgeefster meer zorg moeten betrachten voor de werksituatie en de dreigende overbelasting van werknemer. De gevorderde pensioenschade wordt afgewezen. Het hof acht het echter redelijk om een periode van inkomensverlies van drie jaar in aanmerking te nemen waardoor werkgeefster wordt veroordeeld een bedrag van € 28.155,36 bruto aan werknemer toe te kennen. 08-09-2022
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil tussen voormalig directeur regionale Rabobank en het Rabobank pensioenfonds over onjuiste informatie in de Flexioenregeling en de vraag of daaruit schade is voortgevloeid. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden enige jaren voor ingangsdatum pensioen. Op basis van de verstrekte informatie kon appellant in redelijkheid begrijpen dat hij een aanvullend pensioenkapitaal kon opbouwen bij Robeco, dat dit na zijn eerdere uitdiensttreding dan de pensioengerechtigde leeftijd een slapende rekening werd die echter tot zijn pensioen kon renderen en pas daarna aan het pensioenkapitaal zou worden toegevoegd. Het enkele feit dat appellant onjuist is geïnformeerd wil nog niet zeggen dat hij als gevolg daarvan ook schade heeft geleden. Het hof oordeelt dat er geen causaal verband is tussen het gebrek in informatie en de gestelde schade als gevolg van eerdere toevoeging aan pensioenkapitaal dan op moment van ingang ouderdomspensioen. 06-09-2022
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Overgang (deel van) onderneming. Oude werkgever voert, kort voor overname, pensioenverslechtering door zonder eenzijdig wijzigingsbeding. Werknemer protesteert tijdig. Het hof oordeelt dat de pensioenovereenkomst niet rechtsgeldig is gewijzigd voor de overgang. De nieuwe werkgever moet de ‘oude’ pensioentoezegging gestand doen. Hij is niet verplicht een uitvoeringsovereenkomst met de oude pensioenverzekeraar te sluiten. De onderbrengingsplicht van een pensioenregeling bij een pensioenuitvoerder is op grond van artikel 23 Pensioenwet aan de werkgever; de individuele werknemer heeft daarbij geen instemmingsrecht. De nieuwe werkgever is eveneens gebonden aan overige arbeidsvoorwaarden, voor zover die op het moment van de overname nog golden. 06-09-2022
Rechtbank
- Rechtbank Rotterdam Bouwfondsen schrijven werkgever Ridderbouw aan omdat deze onder de werkingssfeer zou vallen. Zij vorderen bij dagvaarding premies, buitengerechtelijke incassokosten en rente met kostenveroordeling. Ridderbouw stelt bij antwoord dat per heden een bedrag is betaald. Volgens de bouwfondsen zijn de betalingen gedaan en ontvangen na betekening dagvaarding en eerste zittingsdag zodat ze na eisvermindering recht hebben op het overige deel van de proceskosten. De kantonrechter oordeelt dat de bouwfondsen terecht aanspraak maken op de proceskosten. 22-09-2022
- Rechtbank Rotterdam Ontslagzaak. Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding met de werknemer (tweede apotheker) c.q. verschil van inzicht. De rechtbank oordeelt dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door aan te sturen op beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder verwijten met de werkneemster te bespreken en haar een behoorlijke kans te gegeven om haar gedrag te veranderen. De kantonrechter kent naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toe van € 45.000. Anders dan werkneemster acht hij het niet aannemelijk dat zij zeven jaar tot de pensioenleeftijd in dienst was gebleven. Gelet op de huidige krapte op de arbeidsmarkt en de ervaring die werkneemster heeft genoten, moet zij worden geacht binnen die 2,5 jaar of in ieder geval na afloop van haar WW-uitkering aansluitend een nieuwe baan te hebben gevonden. 07-09-2022