Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 5, editie 2. Daarin vindt u een overzicht van negentien in februari 2022 gepubliceerde uitspraken over pensioen. U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
Hoge Raad: hof heeft bij veroordeling ASR tot nakoming onvoorwaardelijke indexatie pensioenovereenkomst de grondslag onvoldoende inzichtelijk gemaakt en verjaringsverweer onvoldoende besproken
Dit is de cassatiezaak van het arrest van het Hof Den Haag over de wijziging van onvoorwaardelijke indexatie naar voorwaardelijke indexatie in relatie tot het aantastverbod van artikel 20 Pensioenwet (ECLI:NL:GHDHA:2020:25, PR 2022-0024). De Hoge Raad oordeelt niet over die indexatiewijziging door werkgever maar over de verhouding tussen verzekeraar ASR en werknemer. Vraag is of verweerder, sinds 1987 in dienst bij (rechtsvoorgangsters van) Allianz, vanaf 1 januari 2013 jegens de oude pensioenuitvoerder ASR recht heeft op nakoming van zijn pensioenovereenkomst in de vorm van indexatie van de pensioenaanspraken die hij krachtens de aanvankelijke pensioentoezegging aan hem van Allianz tot 2001 heeft opgebouwd bij (de rechtsvoorgangster van) ASR. Het hof honoreerde het beroep van verweerder op artikel 20 Pw. Daarom dienen de door verweerder bij ASR opgebouwde pensioenaanspraken onvoorwaardelijk te worden geïndexeerd volgens de indexatiemaatstaf van artikel 16 AMEV-pensioenreglement en is zowel Allianz als ASR veroordeeld tot nakoming van de pensioenovereenkomst in deze zin van gestand doen van onvoorwaardelijke indexering, te financieren door Allianz. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of een grondslag aanwezig is voor de gehoudenheid van ASR tot indexering van de tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioenaanspraken, en zo ja welke. Het middel klaagt verder terecht dat het hof het beroep van ASR op verjaring van de vordering van werknemer niet of niet toereikend gemotiveerd heeft verworpen (ECLI:NL:HR:2022:162, PR 2022-0050).
Opzegging UVO onredelijk want indexatieschade werknemer was voorzienbaar
Deze maand opnieuw een waarschuwing voor werkgevers die hun uitvoeringsovereenkomst beëindigen om rekening te houden met de gevolgen daarvan voor de indexatie van pensioenuitkeringen van (ex-)werknemers. Het hof oordeelde dat het voor de werkgever voorzienbaar was dat er door het niet verlengen van de UVO 2011 geen indexeringen meer zouden plaatsvinden op het ingegane pensioen van werknemer. Voorzienbaar was dat werknemer daardoor wezenlijke schade zou lijden. Van werkgever mocht worden verlangd zodanige afspraken te maken met Zwitserleven over toekomstige toevoegingen aan de bestemmingsreserve, waaronder een vervanging voor de niet meer te verlenen kwantumkorting en de volledige winstdeling en zonder afroming door administratiekosten, dat het ingegane pensioen van werknemer met ingang van 1 januari 2016 in dezelfde mate, respectievelijk met dezelfde consistentie als bedoeld in artikel 95 Pw, zou kunnen worden geïndexeerd, alsof werkgever de eindloonregeling met ingang van die datum voor al zijn werknemers onder dezelfde voorwaarden als in de jaren voor 2016 zou hebben voortgezet bij Zwitserleven. Het hof oordeelde dat de werkgever niet had gehandeld conform de eisen van redelijkheid en billijkheid (ECLI:NL:GHDHA:2022:16, PR 2022-0057).
Geen schending informatieplicht door pensioenfonds bij wijzigen omrekenfactoren
Deze maand oordeelde het Hof Amsterdam dat het pensioenfonds een deelnemer niet persoonlijk hoefde te wijzen op aanpassingen in de omrekenfactoren. Een latere ingangsdatum van het pensioen betekende door de gewijzigde omrekenfactoren een lager ouderdomspensioen. De vraag die partijen verdeeld hield, was of het Pensioenfonds gehouden was om de deelnemer rond december 2016 er expliciet op te wijzen dat de omrekenfactoren per 1 juli 2017 zouden veranderen waardoor het voor hem voordelig was zijn ouderdomspensioen eerder te laten ingaan dan 1 juli 2017. Het pensioenfonds bestreed dat en wees onder meer op informatie, nieuwsflitsen en de pensioenplanner. Het hof oordeelde dat het pensioenfonds de informatie- c.q. zorgplicht niet had geschonden (ECLI:NL:GHAMS:2022:378, PR 2022-0048).
NB Pensioenuitvoerders laveren tussen informeren en het vanuit de Wft riskantere adviseren. Het conceptwetsvoorstel WTP introduceert de nieuwe open norm van keuzebegeleiding (art. 48a).
Deelnemers wilden afkopen omdat de Pensioenwet niet voor hem gold
In de categorie spraakmakende uitgangspunten: twee uitspraken van deelnemers die hun pensioen wilden laten afkopen zonder dat sprake was van een klein pensioen. De deelnemers vonden dat de Pensioenwet niet voor hen gold. De rechtbank maakte daar terecht gehakt van (ECLI:NL:RBMNE:2022:241, PR 2022-0054 en ECLI:NL:RBMNE:2022:242, PR 2022-0053): ‘De kantonrechter is het niet met eiser eens dat de Pensioenwet niet voor hem geldt. In de democratische rechtsstaat Nederland zijn mensen verkozen om wetten te maken. Zij zitten in de Staten-Generaal. De Pensioenwet is vastgesteld door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk. Aan deze wet heeft een pensioenuitvoerder zich dan ook te houden. De Pensioenwet is dus geen bedrijfsbeleid en de vrijheid om te contracteren wordt aangevuld door de wet.’
Ook bijzonder: in een van deze zaken was het kort geding aangespannen maar verscheen de eiser niet op de zitting.
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar pr-updates@budh.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
Raadsheer-plaatsvervanger Hof Den Bosch
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Dit is het vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 maart 2021 in het geding na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 13 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1213). Het hof heeft het voornemen geuit een (of meer) deskundige(n) te benoemen om nader onderzoek te doen naar de vraag of Ecolab haar verplichtingen is nagekomen uit de overeengekomen pensioenregeling die gold per 1 juni 2004. Meer specifiek gaat het erom of de door Ecolab aan NN betaalde koopsom van € 97.594 die NN heeft berekend en Ecolab heeft betaald, voldoende is geweest voor de affinanciering van de pensioenaanspraken. Die koopsom heeft NN bij brief van 3 april 2012 aan Ecolab medegedeeld (bijlage B na verwijzing) en bij brief van 25 april 2012 nader toegelicht (bijlage C na verwijzing). Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over aantal, deskundigheid en persoon van de te benoemen deskundige(n) en de voorgestelde vragen. Het hof benoemt een deskundige en verduidelijkt de aan hem te stellen vragen. 15-02-2022
- Gerechtshof Amsterdam Gepensioneerde verwijt het pensioenfonds dat hij onvoldoende concreet is geïnformeerd dat het laten ingaan van zijn ouderdomspensioen uiterlijk 30 juni 2017 tot een aanzienlijk hoger pensioen zou hebben geleid dan ingang na die datum i.v.m. gewijzigde omrekenfactoren. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of het Pensioenfonds gehouden was appellant er in december 2016, of kort daarna, expliciet op te wijzen dat de omrekenfactoren per 1 juli 2017 zouden veranderen, als ook dat die wijziging zou betekenen dat het voor hem voordelig was zijn ouderdomspensioen eerder te laten ingaan dan 1 juli 2017, althans hem er expliciet op te wijzen dat die veranderde omrekenfactoren een ingrijpende wijziging voor hem zouden betekenen. Appellant meent dat het Pensioenfonds die informatieplicht had, en het Pensioenfonds vindt van niet. Het hof oordeelt dat de door het Pensioenfonds verstrekte informatie voldoende, tijdig, uitgebreid en duidelijk was. Het Pensioenfonds heeft niet gehandeld in strijd met de artikelen 7:611 BW, 6:162 BW of de eisen van redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 lid 1 en/of artikel 6:248 lid 1 BW. Het Pensioenfonds had een voldoende zwaarwegend belang om de omrekenfactoren te wijzigen en daarbij is met het belang van appellant voldoende rekening gehouden. Ten slotte rustte op het Pensioenfonds geen bijzondere zorgplicht vanwege het feit dat appellant in het buitenland werkzaam was. 15-02-2022
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Werknemer was in dienst bij Bavaria. Hij is arbeidsongeschikt verklaard. Er is veelvuldig en uitvoerig gecorrespondeerd tussen werknemer, Bavaria en het pensioenfonds over zijn pensioen. De kantonrechter heeft een deskundige benoemd om onderzoek te doen. De vorderingen zijn na deskundigenrapport afgewezen. In hoger beroep zijn rapporten van de pensioenadviseur en het pensioenfonds ingebracht die leiden tot een hogere pensioenuitkomst voor de deelnemer. De werkgever kan zich daarin vinden. Het hof merkt in het kader van artikel 7:611 BW op dat het niet zo is geweest dat Bavaria heeft volstaan met een verwijzing naar het pensioenfonds. Zij heeft uitgezocht wat er was mis gegaan, waartoe zij op grond van goed werkgeverschap gehouden was. Dat betekent echter niet dat Bavaria ook rechtens verplicht was om vervolgens duidelijkheid te geven over de hoogte van de pensioenaanspraken en pensioenrechten van werknemer (waarvoor specifieke deskundigheid nodig is). Waarom Bavaria in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap zou hebben gehandeld heeft werknemer onvoldoende verduidelijkt. De vorderingen van werknemer tot betaling van buitengerechtelijke kosten worden grotendeels afgewezen (m.u.v. kosten voor actuariële rapportage van €1.210). De vordering van de werkelijke advocaatkosten van € 147.646,89 wijst het hof af. Er is geen misbruik van recht of onrechtmatigheid. 15-02-2022
- Gerechtshof Den Haag Werknemer heeft tot aan einde arbeidsovereenkomst per 1 februari 2009 deelgenomen aan een eindloonregeling. Werkgever heeft de uitvoeringsovereenkomst beëindigd. Van 2006 t/m 2015 is de pensioenuitkering geïndexeerd. In 2017 is hem meegedeeld dat er onvoldoende middelen waren om zijn pensioen te indexeren. Werknemer verzet zich daartegen. De rechtbank wees zijn vorderingen af. Het hof oordeelt dat het voor werkgever voorzienbaar was dat er door het niet verlengen van de UVO 2011 geen indexeringen meer zouden plaatsvinden op het ingegane pensioen van werknemer. Het was voor werkgever dus ook voorzienbaar dat werknemer wezenlijke schade zou lijden als gevolg van zijn hiervoor bedoelde besluiten. Bij deze stand van zaken had van werkgever mogen worden verlangd zodanige afspraken te maken met Zwitserleven over toekomstige toevoegingen aan de bestemmingsreserve, waaronder een vervanging voor de niet meer te verlenen kwantumkorting en de volledige winstdeling en zonder afroming door administratiekosten, dat het ingegane pensioen van werknemer met ingang van 1 januari 2016 in dezelfde mate, respectievelijk met dezelfde consistentie als bedoeld in artikel 95 Pw, zou kunnen worden geïndexeerd, alsof werkgever de eindloonregeling met ingang van die datum voor al zijn werknemers onder dezelfde voorwaarden als in de jaren voor 2016 zou hebben voortgezet bij Zwitserleven. Werkgever heeft niet gehandeld conform de eisen van redelijkheid en billijkheid. 18-01-2022
- Gerechtshof Amsterdam Gepensioneerde verwijt het pensioenfonds dat hij onvoldoende concreet is geïnformeerd dat het laten ingaan van zijn ouderdomspensioen op uiterlijk 30 juni 2017 tot een aanzienlijk hoger pensioen zou hebben geleid dan ingang na die datum i.v.m. gewijzigde omrekenfactoren. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of het Pensioenfonds gehouden was appellant er in december 2016, of kort daarna, expliciet op te wijzen dat de omrekenfactoren per 1 juli 2017 zouden veranderen, als ook dat die wijziging zou betekenen dat het voor hem voordelig was zijn ouderdomspensioen eerder te laten ingaan dan 1 juli 2017, althans hem er expliciet op te wijzen dat die veranderde omrekenfactoren een ingrijpende wijziging voor hem zouden betekenen. In dit tussenarrest beveelt het hof een mondelinge behandeling met specifieke vragen aan het pensioenfonds en de gepensioneerde (zie voor het eindarrest ECLI:NL:GHAMS:2022:378, PR 2022-0048). 27-07-2021
Rechtbank
- Rechtbank Den Haag Eiser is met terugwerkende kracht financieel gelijkgesteld met de rang van majoor. Aan hem is die financiële rang toegekend. Bij besluit van 1 december 2008 is aan eiser nog een compensatieregeling toegekend. Tegen deze besluiten heeft eiser geen bezwaar gemaakt. Eiser is echter pas in 2011 gebleken dat zijn pensioen niet met inachtneming van de regeling wordt berekend. Eiser heeft in 2015 een procedure gevoerd over pensioenschade. Deze is door de rechtbank bij uitspraak van 6 maart 2019 (zaaknummer 17/8476) ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Eiser heeft zich in een persoonlijke brief van 29 april 2019 tot de minister van Defensie gewend met het verzoek om toepassing van coulance dan wel discretionaire bevoegdheid in het kader van de door hem geleden pensioenschade. Aangezien er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden komt de rechtbank niet toe aan eisers betoog dat toepassing gegeven had moeten worden aan coulance/discretionaire bevoegdheid. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser zeer teleurstellend is dat op een andere wijze uitvoering gegeven wordt aan de overeenkomst dan hij voor ogen had. Het had echter op weg van eiser gelegen om tijdig tegen deze uitvoeringspraktijk op te komen. Het beroep is ongegrond 02-02-2022
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant Geschil over uitleg vertrekregeling voormalig politieambtenaar. Bij de wachtgelduitkering is uitgegaan van de pensioenleeftijd van 65 jaar. In deze procedure stelt hij dat er geen verder verlies van pensioenafspraken in de toekomst dan 65 jaar zou optreden. Hij wenst compensatie van het ontstane AOW-gat op grond van de compensatieregeling. De rechtbank oordeelt dat verweerder het verzoek van eiser ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen op het besluit van 14 oktober 1997 (op grond van art. 4:6 Awb). Uit de ontslagregeling volgt dat aan eiser per 1 januari 1998 eervol ontslag is verleend en dat hij, op basis van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 zoals dat gold op 31 december 1995, recht heeft op een wachtgelduitkering tot 1 oktober 2017. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het de bedoeling van partijen is geweest om de wachtgelduitkering ná de genoemde einddatum van 1 oktober 2017 door te laten lopen in het geval sprake zou zijn van een verhoging van de AOW-leeftijd. 02-02-2022
- Rechtbank Midden-Nederland Eiser heeft pensioen opgebouwd bij Rabobank pensioenfonds. Hij verzoekt om afkoop van zijn pensioen. Het pensioenfonds heeft dat volgens de voorzieningenrechter terecht geweigerd omdat het opgebouwde pensioen boven het wettelijk afkoopverbod ligt. In artikel 65 Pensioenwet is bepaald dat afkoop van pensioenen alleen mogelijk is in de situaties bedoeld in de artikelen 66-69. In dit geval is artikel 66 van toepassing, omdat er sprake is van ouderdomspensioen. In artikel 66 is bepaald dat een pensioenuitvoerder het pensioen niet mag afkopen als het pensioen boven de afkoopgrens ligt. Die grens is in 2022 € 520,35 per jaar. Achmea heeft gesteld dat het pensioen van eiser boven die grens ligt en dat heeft eiser niet ontkend. Dat betekent dat het pensioen niet mag worden afgekocht. De kantonrechter is het niet met eiser eens dat de Pensioenwet niet voor hem geldt. 27-01-2022
- Rechtbank Midden-Nederland Eiseres heeft pensioen opgebouwd bij bedrijfstakpensioenfonds Detailhandel. Zij verzoekt om afkoop. Het pensioenfonds heeft dat terecht geweigerd. Het opgebouwde pensioen is hoger dan de wettelijke afkoopgrens. Een pensioenuitvoerder mag het pensioen niet afkopen als het pensioen boven die afkoopgrens ligt. De kantonrechter is het niet met eiseres eens dat de Pensioenwet niet voor haar geldt. 27-01-2022
- Rechtbank Den Haag Defensie heeft de aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen van een naar Libanon uitgezonden militair afgewezen. De diagnose PTSS kan niet worden gesteld. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de medische rapportage. Het beroep is ongegrond. 25-01-2022
- Rechtbank Limburg Eiser verwijt zijn accountant twee beroepsfouten te hebben gemaakt, namelijk onjuiste/onvolledige advisering over de overdracht van de franchiseovereenkomsten en over de pensioenvoorziening. De accountant had eiser in het kader van het advies en de uitvoering van de overgang van de onderneming, moeten informeren over het feit dat de franchisenemers dienden in te stemmen met de overdracht van hun contract aan de eenmanszaak. Dat is nagelaten en daarmee is zij toerekenbaar tekortgeschoten in haar zorgverplichtingen uit de overeenkomst van opdracht. Dat er sprake is van toerekenbare schade is niet komen vast te staan. De rechtbank oordeelt dat in het licht van het door de accountant gevoerde verweer onvoldoende is onderbouwd dat hij al voor 2011 had moeten adviseren om het pensioen premievrij te maken. De reconventionele vordering om de facturen te betalen wordt grotendeels toegewezen. 19-01-2022
- Rechtbank Den Haag Pensioenaanspraken van werknemer zijn vanuit NN via collectieve waardeoverdracht overgedragen aan PMT. In de brief van NN stond onder meer dat de overdracht geen financiële gevolgen heeft. Vervolgens heeft PMT het pensioen gekort met 6,3% in 2013 en met 0,4% in 2014. N.a.v. het arrest van 8 mei 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:958) heeft eiser op 28 oktober 2018 PMT aangeschreven de pensioenkortingen te compenseren. PMT wijst dat af omdat het arrest een uitkeringsgerechtigde betrof. Met PMT is de kantonrechter van oordeel dat thans nog niet vast te stellen valt of eiser wel schade zal lijden of niet. Naar het oordeel van de kantonrechter was februari 2013 het moment dat bij eiser een bel had moeten rinkelen, dat de verlaging van zijn pensioen wellicht in strijd was met hetgeen PMT hem in de brief van 27 november 2007 had bevestigd over de financiële gevolgen van de overgang van zijn pensioenrechten van NN naar PMT. Daarmee is de verjaringstermijn van vijf jaar op dat moment aangevangen. De verjaringstermijn is aangevangen in februari 2013 en dus geëindigd in februari 2018. Eiser heeft zich pas in oktober 2018 bij PMT gemeld en dat is dus nadat de vordering, althans wat betreft de pensioenkorting van 6,3% uit 2013, verjaard was. De aanspraak van eiser op ongedaanmaking van de pensioenkorting van 0,4% uit 2014 is echter nog niet verjaard. Eiser heeft echter (nog) geen schade geleden volgens de kantonrechter. Eiser heeft onvoldoende gesteld dat de pensioenkortingen uit 2013 en 2014 onomkeerbaar zijn, bijvoorbeeld omdat de toezegging van PMT uit 2007 dat de overdracht van de pensioenaanspraken geen financiële gevolgen heeft ook inhoudt dat eiser niet de vruchten kan plukken van toekomstige indexeringen bij PMT. Alleen dan zou er sprake zijn van reeds werkelijk geleden schade, die niet meer hersteld kan worden. Nu eiser daarvoor onvoldoende heeft gesteld, zeker nadat PMT op dat punt verweer heeft gevoerd, zal de vordering van eiser ook wat betreft de pensioenkorting van 0,4% uit 2014 worden afgewezen. 11-01-2022
- Rechtbank Limburg Geschil tussen ex-echtelieden over de lengte van de alimentatieverplichting. In de vaststellingsovereenkomst uit 2009 is opgenomen dat de letterlijke tekst prevaleert boven partijbedoelingen. In de overeenkomst staat dat de partneralimentatie eindigt op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op [geboortedatum van de vrouw] 2021. Op die dag – zij was toen 64 jaar geworden – is de man gestopt met betalen. De curator (de vrouw staat onder curatele) meent dat is overeengekomen dat de partneralimentatie eindigt tot de pensioenleeftijd van 2024, althans 2022. De rechtbank oordeelt dat uit de woorden ‘te weten’ blijkt dat partijen bedoeld hebben om met de opgenomen datum een verduidelijking te geven van het moment waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken. Kijkend naar het toenmalige artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet zou de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd bereiken als zij 65 jaar was. Dat zou zijn op [ geboortedag de vrouw] 2022. Een ruime uitleg van het begrip ‘de pensioengerechtigde leeftijd’ tot de nadien gewijzigde AOW-leeftijd leidend tot 2024 verhoudt zich niet met de rest van de overeenkomst en met name de bepaling dat de man en de vrouw een zo letterlijk mogelijke uitleg wensten van de overeenkomst. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst was de pensioenleeftijd immers 65 jaar. 09-11-2021
- Rechtbank Den Haag Werkgever Itsme B.V. zegt uitvoeringsovereenkomst met niet verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds voor Nederlandse Groothandel (SPNG) op. Het risico voor arbeidsongeschiktheid was meeverzekerd, net als premievrijstelling met betrekking tot pensioenopbouw voor werknemers die tijdens dienstverband arbeidsongeschikt raken. Geschil ontstaat over de vraag of het pensioenfonds na de opzegging het zogenoemde uitlooprisico moet verzekeren. Dat ‘uitlooprisico’ is voor werknemers die ten tijde van het eindigen van de uitvoeringsovereenkomst wel al arbeidsongeschikt waren, maar nog niet aan alle verzekeringsvoorwaarden (zoals WIA-uitkering) voldeden. De rechtbank oordeelt aan de hand van de stukken – waaronder uitvoeringsovereenkomst – dat dit niet is niet meeverzekerd. De werkgever mocht niet redelijkerwijs verwachten dat alle tijdens de looptijd van de uitvoeringsovereenkomst ziek geworden werknemers recht behielden op premievrije pensioenopbouw na afloop van de wachttijd. Een van de voorwaarden is de wachttijd tussen het moment van arbeidsongeschiktheid en de aanvang van de WIA-uitkering. 19-10-2021
Raad van State
Centrale Raad van Beroep
- Centrale Raad van Beroep Appellant was in dienst van het college van dijkgraaf en hoogheemraden De Stichtse Rijnlanden. Vanaf 1 april 1998 is hem eervol ontslag verleend en heeft hij een wachtgelduitkering ontvangen, naast een arbeidsongeschiktheidspensioen. Hij heeft het college aansprakelijk gesteld omdat hij een lager ouderdomspensioen heeft ontvangen wegens het niet doorgeven van zijn wachtgelduitkering. De CRvB oordeelt dat een handeling in het kader van de uitvoering van de pensioenovereenkomst privaatrechtelijk van aard is. De beslissing van het college hierover is geen besluit in de zin van de Awb. Het college had het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank had, nu het college heeft nagelaten het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren, het bestreden besluit moeten vernietigen en het bezwaar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 20-01-2022
- Centrale Raad van Beroep Geschil over een te laag ouderdomspensioen van ex-werknemer bij ABP die in dienst was van college. Kern van het geschil is dat het ABP de brief van het college aan het ABP van 17 augustus 1998 ter zake van de wachtgeldregeling van verzoeker en de daardoor verminderde opbouw van pensioenrechten, niet heeft ontvangen, waardoor het ABP verzoeker vervolgens niet heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om premie bij te storten. De schadeoorzaak is privaatrechtelijk van aard. De beslissing van het college hierover is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker heeft in het verzoek om herziening, samengevat, naar voren gebracht dat het college een oneerlijke proceshouding heeft ingenomen in de toenmalige procedure, omdat hem pas naar aanleiding van zijn WOB-verzoek in 2018 een document van 2 februari 2011 bekend is geworden. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, omdat deze, waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, niet tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. De door verzoeker genoemde geldstromen zien op correcties van pensioenafdrachten ter uitvoering van het ingetrokken ontslag per 1 oktober 1994 tot de datum van het daadwerkelijke ontslag per 1 april 1998. Met de door verzoeker gestelde schadeoorzaak in 1998 houden deze betalingen dus geen verband. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. 20-01-2022