Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 4, editie 8. Daarin vindt u een overzicht van 20 in september 2021 gepubliceerde uitspraken over pensioen. U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
Bestuurder hoofdelijk aansprakelijk na faillissement wegens aansluiting met terugwerkende kracht bij Bpf Bouw (PR 2021-0194)
Vrijwel iedere maand is er minimaal één uitspraak over de vraag of een werkgever onder de werkingssfeer valt van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds. Deze maand een variant daarop. Een vennootschap werd geconfronteerd met verplichte aansluiting met terugwerkende kracht door Bpf Bouw. Daarop vroeg de bestuurder faillissement aan van de vennootschap om die reden. De curator stelde vervolgens de bestuurder aansprakelijk voor de boedelschuld, ook omdat de facturen te hoog waren. De rechtbank oordeelde dat niet in geschil was dat de vordering van Bpf Bouw reden was om het faillissement aan te vragen. De rechtbank vond het aannemelijk dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak was van het faillissement (ECLI:NL:RBROT:2021:8702).
Werkgever moet werknemer met terugwerkende kracht aanmelden bij pensioenfonds en pensioenpremies betalen (PR 2021-0183)
Noemenswaardig is de uitspraak deze maand waarin een werkgever met succes werd veroordeeld om zijn werknemer met terugwerkende kracht aan te melden bij het Pensioenfonds Detailhandel. De werkgever had de pensioenpremie van de werknemer tijdens het dienstverband van vijf jaar nooit afgedragen aan het pensioenfonds. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van de pensioenpremies aan het pensioenfonds. Daarnaast moet de werkgever aan de werknemer wettelijke rente en wettelijke verhoging betalen over de pensioenpremies (ECLI:NL:RBLIM:2021:7037).
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar pr-updates@budh.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
Raadsheer-plaatsvervanger Hof Den Bosch
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Appellanten c.s. waren enig aandeelhouder en bestuurder van Beheer B.V. Als zodanig is pensioen in eigen beheer opgebouwd van 1993 tot 2008. De aandelen in Beheer B.V. zijn verkocht aan Beuys B.V. In de koopovereenkomst van 9 januari 2011 staat onder meer dat de pensioenverplichting op 1 januari 2011 € 162.000 is. Eveneens staat in de overeenkomst dat gedurende de periode dat Beuys eigenaar is van de vennootschap verkoper 1 en 2 niet zullen vorderen dat de pensioenovereenkomst wordt ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij of vergelijkbaar. Naar aanleiding van een mededeling van de directeur van Beuys maken appellanten zich zorgen of en hoelang de pensioenbetalingen nog zullen worden uitgekeerd. Zij vorderen overdracht van de pensioenaanspraken aan een verzekeraar. Het hof wijst die vorderingen af. Appellanten zijn gebonden aan de koopovereenkomst. 21-09-2021
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Het hof heeft bij beschikking van 3 juni 2021 overwogen dat er een grondslag is voor toekenning van een billijke vergoeding na het ontslag van een werknemer. Het hof overwoog dat het de berekeningssystematiek van werknemer kan volgen (inkomensschade minus transitievergoeding). Het hof oordeelt dat in dit geval het vertrekpunt voor de begroting van de billijke vergoeding moet zijn de fictie dat werknemer nog in dienst was gebleven bij werkgever tot de datum van pensioen. Daartoe ziet het hof aanleiding gelet op de leeftijd (62 jaar) en het arbeidsverleden van werknemer (circa 35 jaar). Beide partijen hebben verwijtbaar gehandeld, maar naar het oordeel van het hof is de mate van verwijtbaarheid van werknemer aanzienlijk minder dan die van werkgever. Daarom heeft het hof eerst een begroting gemaakt van het inkomstenverlies en zal de verwijtbaarheid van werknemer tot uitdrukking worden gebracht in een afronding van dat bedrag naar beneden. Alles tegen elkaar afwegende zal het hof de vergoeding bepalen op € 85.000 bruto. 16-09-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Dit geschil gaat over de vraag of op het moment dat appellant arbeidsongeschikt werd nog een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor hem gold. Het hof is het met de kantonrechter eens dat op dat moment die verzekering al was beëindigd. De pensioenverzekeraar heeft de uitvoeringsovereenkomst opgezegd. Er is geen verlengingsovereenkomst tot stand gekomen. De directeur-grootaandeelhouder valt niet onder de uitloopregeling omdat hij pas na de beëindiging ziek is geworden. 14-09-2021
- Gerechtshof Den Haag In deze procedure tegen het Pensioenfonds vordert appellante een verklaring voor recht en verstrekking van een herberekening in verband met de verdeling van pensioenrechten tussen haar en haar ex-echtgenoot. Het hof acht deze vorderingen niet toewijsbaar omdat de procedure is gericht tegen het Pensioenfonds terwijl het belang van appellante is gelegen in de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Een bindende vaststelling ten aanzien van deze verdeling is niet mogelijk omdat de ex-echtgenoot geen partij is in deze procedure. 14-09-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Ontslagzaak. Het hof oordeelt in navolging van de kantonrechter dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Door toedoen van Innoforte is de arbeidsverhouding duurzaam en onherstelbaar verstoord geraakt. Verzoeker is door Innoforte plotsklaps als incompetent buiten spel gezet en Innoforte heeft hem geen kans geboden zijn functioneren te verbeteren of te werken aan verbetering van de verstoorde verhoudingen. Er zijn met verzoeker geen functioneringsgesprekken gevoerd, waarin zijn functioneren als onvoldoende werd beoordeeld en hem is geen verbetertraject aangeboden. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding vergelijkt het hof de feitelijke situatie waarin sprake is van ernstige verwijtbaarheid van Innoforte met de hypothetische situatie dat geen sprake zou zijn geweest van ernstige verwijtbaarheid van Innoforte. Het hof vindt het niet aannemelijk dat verzoeker tot zijn pensioengerechtigde leeftijd nog inkomsten (als zelfstandige of in dienstverband) verwerft die hoger zijn dan de WW-uitkering. Het hof wijst het verzoek tot betaling van een billijke vergoeding toe. Waar de kantonrechter oordeelde dat die vergoeding 25.000 bedroeg, kent het hof 38.500 toe. 13-09-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Het gaat in deze zaak om de vraag of Marposs een door haar in 1981 aan appellant gedane toezegging moet nakomen en om de vraag of Marposs verplicht is de schade te vergoeden, die appellant lijdt doordat die toezegging niet nagekomen is. Deze toezegging hield in dat Marposs ervoor zou zorgen dat in de arbeidsovereenkomst die appellant in 1981 sloot met Marposs B.V. – een dochteronderneming van Marposs – een pensioentoezegging zou worden opgenomen die minimaal gelijk was aan een eindloonregeling. In 1986 is ten behoeve van appellant bij pensioenverzekeraar Achmea Pensioen- en Levensverzekering N.V. (hierna: Centraal Beheer Achmea) een pensioenregeling afgesloten op basis van beschikbare premie. Daarmee is de pensioenregeling op basis van eindloon beëindigd. Het hof vindt dat de vorderingen van appellant verjaard zijn, omdat ze te laat zijn ingesteld. Het hof kan overigens niet vaststellen dat Marposs destijds appellant onvoldoende heeft geïnformeerd, terwijl appellant, door ook op latere momenten niet te protesteren tegen de wijziging van zijn pensioenregeling, tegenover Marposs het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij het daarmee eens was. Het hof vindt verder dat de vorderingen ook niet toegewezen zouden kunnen worden, omdat appellant in 1999 een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft gesloten met Marposs. In die arbeidsovereenkomst is geen pensioentoezegging op basis van eindloon opgenomen, maar is een voortzetting toegezegd van de bij Centraal Beheer Achmea lopende pensioenregeling op basis van beschikbare premie. 31-08-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Partijen zijn gehuwd in 1972 en gescheiden in 2004. Ze hebben afspraken gemaakt in een echtscheidingsconvenant en een notariële verdelingsakte. In het convenant zijn afspraken gemaakt over de pensioenrechten in eigen beheer. Daarin staat samengevat dat de B.V. aan elke partij de helft van het totale vermogen van € 164.317,89 overmaakt op een door elke partij aan de B.V. op te geven rekening van een pensioenverzekeraar. Opgebouwd pensioen in het verleden zal volgens de WVPS worden verevend. In afwijking van deze afspraken in het convenant, heeft [naam 1] B.V. met instemming van partijen het pensioen van beide partijen in eigen beheer uitgevoerd en aan partijen pensioenuitkeringen gedaan. Tussen partijen is in geschil of [naam 1] B.V. een te groot gedeelte van het pensioen in eigen beheer aan de man heeft uitgekeerd en, zo ja, of de vrouw in verband daarmee een vorderingsrecht op de man heeft. Een eventuele te hoge uitkering door [naam 1] B.V. aan de man levert daarom geen vordering van de vrouw op de man op, maar een vordering van [naam 1] B.V. op de man uit hoofde van onverschuldigde betaling. De vordering van de vrouw jegens de man moet daarom worden afgewezen. 24-08-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil tussen man en vrouw na echtscheiding over vermogensafwikkeling. Voor wat betreft pensioen is in de huwelijkse voorwaarden bepaald dat verrekening en/of verevening plaatsvindt van de waarde van aanspraken op al of niet ingegaan pensioen, voor zover opgebouwd vóór het huwelijk en gedurende het huwelijk. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden geen expliciete afspraken gemaakt anders dan de afspraak genoemd in artikel 15 van de huwelijkse voorwaarden waaruit volgt dat er verrekening en/of verevening moet plaatsvinden. Het hof volgt daarom het uitgangspunt dat de Wet verevening pensioenrechten na scheiding (Wvps) van toepassing is op scheidingen, tenzij echtgenoten de toepasselijkheid ervan hebben uitgesloten (art. 2 lid 1 Wvps). Ingeval partijen toepassing van de Wvps hebben willen uitsluiten moet dit uit de bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden blijken. Aangezien partijen in hun huwelijkse voorwaarden niet voor uitsluiting van de Wvps hebben gekozen, is het hof van oordeel dat verevening volgens deze wet moet plaatsvinden. Partijen zijn het erover eens dat zij op 16 januari 1978 zijn gaan samenwonen. Het hof zal daarom bepalen dat partijen de door hen beiden sinds die datum tot de datum van ontbinding van het huwelijk, in 2019, opgebouwde pensioenrechten moeten verevenen. 13-07-2021
Rechtbank
- Rechtbank Den Haag Eiser heeft pensioenrechten opgebouwd bij Optas Pensioenen N.V. Volgens eiser dient het vermogen van Optas Pensioenen N.V. ter hoogte van ongeveer € 2,5 miljard daarom ten goede te komen aan de Optas-verzekerden en te worden gebruikt voor het indexeren van de pensioenen, dan wel het waardevast houden ervan, en is aldus sprake van een materiële beklemming van voornoemd bedrag van € 2,5 miljard. In plaats daarvan is dit bedrag na de fusie door Aegon aangemerkt als vrije reserve. Aegon eigent zich door de fusie dus onrechtmatig € 2,5 miljard toe. Ook als sprake zou zijn van een voorwaardelijke indexering van de pensioenen, kan dit bedrag niet worden aangemerkt als vrije reserve, maar dient Aegon consistent te financieren en voldoende financiële middelen te reserveren om haar verplichtingen na te komen. Volgens eiser is de fusie daarom in strijd met het recht en niet rechtsgeldig, waardoor zij recht en belang heeft bij nietigverklaring dan wel vernietiging van de fusie en herstel van de oude situatie. De rechtbank passeert dit betoog. Artikel 2:316 BW biedt schuldeisers zoals eiser de specifieke mogelijkheid van verzet tegen het voorstel tot fusie indien zij van mening zijn dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon (in dit geval Aegon) na de fusie minder waarborg zal bieden dat hun vorderingen zullen worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen. Binnen het wettelijk systeem van de tweede afdeling van titel 7 Boek 2 BW hoort het betoog van eiser daarom in een verzetprocedure thuis en niet in de onderhavige vernietigingsprocedure. Dat eiser van de mogelijkheid van verzet geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening. Nu Aegon als gevolg van de juridische fusie volledig in de rechten én verplichtingen van Optas Pensioenen N.V. richting eiser is getreden, is er evenmin grond voor het oordeel dat het fusiebesluit nietig is wegens strijd met de goede zeden of openbare orde omdat de fusie zou strekken tot benadeling van de Optas-verzekerden. Eiser heeft in dit verband ook geen feiten of omstandigheden gesteld of onderbouwd die deze conclusie rechtvaardigen. Eiser heeft tegenover de uitvoerige en gedocumenteerde toelichting door Aegon geen concrete feiten en omstandigheden aangedragen die nopen tot het oordeel dat sprake is van vernietigbaarheid wegens strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van het fusiebesluit regelen (art. 2:15 lid 1 sub a BW). Uit de overgelegde stukken, waaronder de voetverklaring van de notaris in de fusieakte als bedoeld in artikel 2:318 lid 2 BW, volgt dat aan de vereisten van artikel 2:317 lid 1 BW is voldaan. 29-09-2021
- Rechtbank Den Haag Eisers hebben pensioenrechten opgebouwd bij Optas Pensioenen N.V., dat is gefuseerd met Aegon. Eiser 1 heeft op 29 november 2018 verzet aangetekend tegen de fusie. De rechtbank heeft dat op 21 februari 2019 ongegrond verklaard en opgeheven. DNB heeft toestemming verleend voor de fusie op 26 februari 2019. In deze procedure vorderen eisers ongedaanmaking van de fusie tussen Optas Pensioenen N.V. en Aegon Levensverzekering N.V. Zij stellen onder meer dat Aegon zich door de fusie onrechtmatig € 2,5 miljard toe-eigent die op grond van garanties, wettelijke bepalingen, statuten en gemaakte indexeringsafspraken moet worden aangewend voor onvoorwaardelijke indexatie van de pensioenen van Optas-verzekerden. Dit betoog van eisende partij sub 1 c.s. komt, in al zijn onderdelen, feitelijk steeds neer op de stelling dat bij de fusie geen rekening is gehouden met de door haar gestelde – en door Optas Pensioenen N.V. betwiste – aanspraken op een onvoorwaardelijke indexering van de pensioenen. De beoordeling van de vraag of en in hoeverre eisende partij sub 1 c.s. een dergelijke aanspraak heeft, is op grond van artikel 216 Pensioenwet echter voorbehouden aan de kantonrechter en ligt in de onderhavige procedure daarom niet voor. Bovendien is Aegon als gevolg van de juridische fusie volledig in de rechten én verplichtingen van Optas Pensioenen N.V. richting eisende partij sub 1 c.s. getreden. De verplichtingen van Optas Pensioenen N.V. jegens eisende partij sub 1 c.s. zijn onder algemene titel overgegaan op Aegon. Aegon is daarom gehouden om deze verplichtingen na te komen, met inbegrip van eventuele indexeringsverplichtingen. Mocht eisende partij sub 1 c.s. aanspraak kunnen maken op een onvoorwaardelijke indexering van de pensioenen, dan moet zij zich daarvoor met een daartoe strekkende vordering dus tot Aegon wenden en, zo nodig, tot de kantonrechter. Een grond voor vernietiging van de fusie levert dat niet op. Nu Aegon als gevolg van de juridische fusie volledig in de rechten én verplichtingen van Optas Pensioenen N.V. richting eisende partij sub 1 c.s. is getreden, is er evenmin grond voor het oordeel dat het fusiebesluit nietig is wegens strijd met de goede zeden of openbare orde omdat de fusie zou strekken tot benadeling van de Optas-verzekerden. De rechtbank oordeelt dat niet is voldaan aan de in artikel 2:323 lid 1 BW opgenomen limitatieve gronden voor vernietiging van een fusie en wijst de vorderingen af. 29-09-2021
- Rechtbank Noord-Holland Man en vrouw hadden vanaf 2002 een affectieve relatie. Zij hebben zonder samenlevingsovereenkomst samengewoond tot september 2018. Daarna is een geschil ontstaan over de wijze waarop de samenleving financieel moet worden afgewikkeld. De uitgaven zijn grotendeels (voor)gefinancierd door de vennootschap van de man. Na een kort geding en vaststellingsovereenkomst zijn meerdere punten geadresseerd. In deze procedure verdeelt de rechtbank enkele eenvoudige gemeenschappen en een groot aantal vorderingen over en weer. Partijen twisten over de aanspraak van de vrouw op partnerpensioen. De rechtbank is voornemens een deskundigenonderzoek te gelasten over het partnerpensioen indien partijen daar niet uitkomen. 15-09-2021
- Rechtbank Gelderland Werkneemster en Wageningen Universiteit sluiten op 24 mei 2019 een vaststellingsovereenkomst. Daarin staat onder meer dat werkneemster vanaf 1 augustus wordt vrijgesteld van werk en dat zij krijgt doorbetaald totdat de aanstelling eindigt per 12 augustus 2021. Als gevolg van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd wordt de AOW-leeftijd in 2021 66 jaar en vier maanden en niet 67 jaar. Werkneemster gaat niet akkoord met het voorgestelde addendum om de einddatum uit de vaststellingsovereenkomst te wijzigen. Werkgever stopt betaling op 12 december 2020, de AOW-leeftijd. Werkneemster vordert nakoming van de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat in de vaststellingsovereenkomst staat dat de aanstelling van werkneemster eindigt per 12 augustus 2021. De tekst van de overeenkomst bevat een concrete datum en geen begrip of bewoordingen die voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. Er is geen sprake van onvoorziene omstandigheden. 15-09-2021
- Rechtbank Limburg Een werkgever heeft de pensioenpremie van een werknemer tijdens het dienstverband van vijf jaar nooit afgedragen aan het pensioenfonds. De werknemer vordert in kort geding met succes aanmelding met terugwerkende kracht en betaling pensioenpremies, inclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente. 08-09-2021
- Rechtbank Rotterdam Een onderneming die zich bezighoudt met de import, export, distributie en verkoop van noten, gedroogde vruchten en andere landbouwproducten en nonfood-producten wordt aangeschreven door het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds groothandel in levensmiddelen. Na diverse brieven waarin wordt gesteld dat de onderneming verplicht moet deelnemen en werknemersgegevens moet aanleveren, volgt een ambtshalve premienota en op 11 december 2017 een dwangbevel. De onderneming gaat daartegen niet in verzet. Op 10 maart 2021 volgt een nieuw dwangbevel voor een latere periode. Daarvan komt de onderneming in verzet. In kort geding verzoekt de onderneming om het pensioenfonds te verbieden om dwangbevel 1 te executeren. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek af. Omdat eiseres geen verzet heeft aangetekend, is het dwangbevel onherroepelijk geworden. Het pensioenfonds heeft daardoor in beginsel op grond van artikel 21 lid 4 Wet Bpf jo. artikel 430 e.v. Rv de bevoegdheid om het dwangbevel (zonder rechterlijke tussenkomst) te executeren. Er is geen sprake van misbruik van de executiebevoegdheid. 27-08-2021
- Rechtbank Den Haag Vanaf 1 juni 2001 is op de berekening van een militair pensioen het ABP-reglement van toepassing. In het conversiebesluit van 16 juli 2001 is eisers pensioen overgedragen aan het ABP en zijn pensioen herberekend. In 2016 geeft eiser aan dat daarbij fouten zijn gemaakt en dat hij daardoor € 200 per maand te weinig pensioen ontvangt, met het verzoek dat te herstellen. De rechtbank heeft op 12 januari 2017 uitspraak gedaan. Op 16 februari 2017 heeft hij en soortgelijk verzoek ingediend. Defensie heeft dat verzoek opgevat als een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande conversiebesluit en opgemerkt dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2017. In deze zaak oordeelt de rechtbank met toepassing van artikel 4:6 Awb dat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor geen plaats is voor inhoudelijke beoordeling. 27-08-2021
- Rechtbank Den Haag De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek van de werkgeefster wegens een verstoorde arbeidsverhouding toe. Vier dagen nadat werkneemster zich had beter gemeld en met haar was gesproken over haar doelstellingen voor het komende jaar wil werkgeefster de arbeidsovereenkomst beëindigen. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Naast de transitievergoeding is een billijke vergoeding verschuldigd van € 97.725,68. 26-08-2021
- Rechtbank Amsterdam Geschil na echtscheiding in 2017 over afwikkeling vermogen. Tijdens het huwelijk is geen uitvoering gegeven aan het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodiek verrekeningsbeding. Tijdens de mondelinge behandeling zijn afspraken gemaakt over een bindend advies. Hoewel de aangezochte deskundige niet bindend wil adviseren heeft het advies naar oordeel rechtbank desondanks tussen partijen wel als bindend te gelden. De vrouw dient uit hoofde van de verrekening nog een bedrag van € 1.827.712,50 te betalen. De rechtbank overweegt dat de vrouw, hoewel zij heeft gesteld bezig te zijn de pensioenverevening te regelen, geen stukken ter zake heeft overgelegd. De vrouw dient binnen vier weken na betekening van dit vonnis stukken aan de man te verstrekken waaruit blijkt dat zij het pensioenfonds Aegon UK heeft verzocht het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen te verevenen en wat de stand van zaken ter zake is. 25-08-2021
- Rechtbank Rotterdam Vennootschap wordt geconfronteerd met verplichte aansluiting met terugwerkende kracht door Bpf Bouw. Bestuurder van de rechtspersoon vraagt faillissement aan om die reden. Na het faillissement stelt de curator de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor onder meer de boedelschuld aan Bpf Bouw. De rechtbank oordeelt dat niet in geschil is dat de vordering van Bpf Bouw reden was om het faillissement van [naam gefailleerde rechtspersoon] aan te vragen. Het is aannemelijk dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Er is voldaan aan artikel 2:248 lid 1 BW en als bestuurder van [naam gefailleerde rechtspersoon] is hij aansprakelijk voor het boedeltekort. 25-08-2021
- Rechtbank Den Haag Eiser maakt aanspraak op een militair invaliditeitspensioen na een busongeval in militaire dienst in Suriname in 1974. Het ministerie wijst dat verzoek af. De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende grond is om eiser te volgen in zijn betoog dat de oogklachten in verband staan met het busongeval dat in 1974 heeft plaatsgevonden. Er zijn geen objectieve gegevens waarin de bevestiging kan worden gevonden dat eisers rechteroog ten gevolge van het busongeval is geperforeerd. Het tijdsverloop van meer dan 45 jaar werkt in het nadeel van eiser. 30-07-2021
- Rechtbank Rotterdam Arbeidsongeschikte werkneemster van Gom had een zogenoemd slapend dienstverband. GOM weigert om mee te werken aan haar verzoek in 2018 en 2019 tot beëindiging met wederzijds goedvinden. Het dienstverband eindigt door pensionering per 1 november 2019. De kantonrechter oordeelt dat GOM gehouden was om in te stemmen met het verzoek van werkneemster om in te stemmen met beëindiging onder toekenning van een transitievergoeding. Dat GOM niet meer in aanmerking komt voor compensatie omdat werkneemster inmiddels met pensioen is, komt voor haar rekening en risico. De kantonrechter kent een schadevergoeding toe gelijk aan de transitievergoeding. 23-07-2021