Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 4, editie 8. Daarin vindt u een overzicht van 22 in augustus 2021 gepubliceerde uitspraken over pensioen. U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
Loonadministrateur niet aansprakelijk voor verplichtstelling werkgever (PR 2021-0158)
Rechtspraak over werkingssfeergeschillen en al dan niet verplichte deelname aan bedrijfstakpensioenfondsen is een evergreen in het pensioenrecht. Daarbij ontstaan niet alleen geschillen tussen werkgevers en bedrijfstakpensioenfondsen. Werkgevers richten zich soms ook tot hun adviseurs. Eerder dit jaar oordeelde de kantonrechter dat een pensioenadviseur aansprakelijk was door kort gezegd te adviseren dat de werkgever niet onder de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds viel (ECLI:NL:RBROT:2021:595). Deze maand stelde een werkgever zijn loonadministrateur vergeefs aansprakelijk. Het rolluikbedrijf viel namelijk onder PMT. De loonadministrateur had, mede gelet op zijn opdracht, geen onderzoeksplicht (ECLI:NL:RBGEL:2021:4480).
Leeftijdsafhankelijke werknemerspremie geen verboden leeftijdsonderscheid (PR 2021-0159)
Noemenswaardig is de uitspraak deze maand over de vraag of een premieovereenkomst met een leeftijdsafhankelijke werknemerspremie verboden leeftijdsonderscheid is. De kantonrechter oordeelt dat het leeftijdsonderscheid objectief gerechtvaardigd is. De leeftijdsafhankelijke pensioenbijdrage leidt ertoe dat er voor alle werknemers, ongeacht leeftijd, een adequaat en betaalbaar pensioen kan worden opgebouwd. Hoe deze uitspraak zich verhoudt tot de meer kritische oordelenlijn van het CRM uit het verleden, blijkt niet (expliciet) uit de uitspraak. Tevens valt op dat de kantonrechter op enkele onderdelen aangeeft dat stellingen onvoldoende zijn gesteld of juist weersproken. De stelling dat de leeftijdsafhankelijke pensioenpremies zijn toegestaan is daarom nog riskant (ECLI:NL:RBGEL:2021:4492).
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar pr-updates@budh.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
Raadsheer-plaatsvervanger Hof Den Bosch
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil over bestuurdersaansprakelijkheid wegens niet afgedragen pensioenpremies aan bedrijfstakpensioenfonds voor diverse vennootschappen. Hof oordeelt dat bestuurders aansprakelijk zijn. In de brief van 27 juni 2016 voor één van de vennootschappen leest het hof echter wel een melding van betalingsonmacht voor dan nog toekomstige nota’s. Het Pensioenfonds had dat redelijkerwijze ook moeten begrijpen. Voor die premie geldt dan dat de bestuurders slechts persoonlijk aansprakelijk zijn indien het Pensioenfonds aannemelijk maakt dat het niet betalen van de bijdragen het gevolg is van aan de bestuurders te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voor 27 juni 2016 (art. 23 lid 3 Wet Bpf). Het Pensioenfonds heeft echter geen, althans onvoldoende duidelijke, feiten of omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing daarvan. 24-08-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Appellant 1 en appellant 2 zijn door het Bedrijfstakpensioenfonds beroepsvervoer over de weg persoonlijk aansprakelijk gesteld voor achterstallige pensioenpremies die verschuldigd waren door het expeditiebedrijf waarvan zij bestuurder zijn geweest. Nadat de kantonrechter de vorderingen van het Pensioenfonds had toegewezen, hebben appellant 1 en appellant 2 onderhandeld over betaling van een lager bedrag aan het Pensioenfonds tegen finale kwijting. Daarover is overeenstemming bereikt en appellant 1 en appellant 2 hebben dit lagere bedrag betaald. De vraag is of appellant 1 en appellant 2 daarna nog in hoger beroep mogen gaan van het vonnis van de kantonrechter. Het hof oordeelt met het Pensioenfonds dat appellant 1 en appellant 2 met bedoelde overeenstemming het vonnis van de kantonrechter niet meer ter discussie kunnen stellen. 24-08-2021
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Geschil na echtscheiding over omvang van de partneralimentatie. Het hof oordeelt dat de ingangsdatum van de partneralimentatie 1 juli 2019 is. Dat is de datum waarop de echtelijke woning is verkocht aan de opvolgend eigenaar. Tot dat moment had de man dubbele woonlasten. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat de behoefte van de vrouw niet is verbleekt. De welstand gedurende het huwelijk is derhalve bepalend voor de behoefte van de vrouw. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening met een bedrag van € 500 aan extra pensioenlasten per maand of met extra stortingen, nu de man geen inzicht heeft verschaft in de omvang van het pensioengat en de noodzaak tot pensioenaanvulling in deze omvang en op deze wijze. Het hof kan derhalve niet beoordelen of de extra pensioenvoorzieningen redelijk zijn en voorrang zouden moeten hebben boven de onderhoudsplicht van de man. De man bouwt immers sedert de echtscheiding in 2014 nog steeds verder zijn reguliere ABP-pensioen op, waarvoor maandelijks reeds een premie van circa € 600 wordt afgedragen. Voorts heeft de man geen aangifte of aanslag Inkomstenbelasting 2019 overgelegd evenmin als een aangifte 2020, zodat zijn vermogenspositie niet duidelijk is. Daarnaast is ter mondelinge behandeling gebleken dat partijen uit de overwaarde van de echtelijke woning ieder € 120.000 hebben overgehouden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat extra pensioenstortingen door de man niet prevaleren boven zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw. De man heeft de ruimte om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien en dient met ingang van 1 juli 2019 – gelet op het verzoek van de vrouw – een bijdrage van € 2.715 per maand in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. 29-07-2021
- Gerechtshof Den Haag Geschil over echtscheiding Franse man en vrouw en de afwikkeling daarvan. Hof oordeelt dat het rechtsmacht heeft nu de gewone verblijfplaats bij indienen echtscheidingsverzoek Nederland was. Het hof is bevoegd om te oordelen over het verzoek tot prestation compensatoire. Het is een onderhoudsverplichting in de zin van de Europese Alimentatieverordening. Het hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een prestation compensatoire aan de vrouw. Daarbij is onder meer van belang dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat haar inkomenspositie door een loopbaankeuze tijdens haar huwelijk is verslechterd, dat zij over een aanzienlijk vermogen beschikt en dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten over de pensioenrechten. 28-07-2021
Rechtbank
- Rechtbank Gelderland Dit geschil gaat over de vraag of een loonadministrateur aansprakelijk is nadat het verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds PMT de werkgever aanschrijft. De werkgever is samengevat een rolluikbedrijf. De kantonrechter oordeelt dat de loonadministrateur niet aansprakelijk is. 18-08-2021
- Rechtbank Gelderland Werkgever hanteert een premieovereenkomst met een leeftijdsafhankelijke werknemerspremie. Werknemer stelt dat dit verboden leeftijdsonderscheid is. De kantonrechter oordeelt dat het leeftijdsonderscheid objectief gerechtvaardigd is. De leeftijdsafhankelijke pensioenbijdrage leidt ertoe dat er voor alle werknemers, ongeacht leeftijd, een adequaat en betaalbaar pensioen kan worden opgebouwd. 18-08-2021
- Rechtbank Rotterdam Arbeidsrechtelijk geschil met bestuursrechtelijke aspecten over stopzetting loondoorbetaling, hoogte WW-uitkering en eindafrekening. Eiser heeft onder meer bezwaar gemaakt tegen wijze waarop rekening is gehouden met pensioen(premie) bij eindafrekening. De rechtbank oordeelt onder meer dat verweerder 1 eisers bevoegde gezag is. Daarom is alleen verweerder 1 bevoegd om op eisers bezwaar tegen de stopzetting van de loondoorbetaling te beslissen. Verweerder 2 heeft het bestreden besluit 3 dan ook onbevoegd genomen. Eisers werkloosheidsuitkering is ten onrechte gebaseerd op het laatstgenoten salaris in plaats van het sv-loon. De te hoge uitkering is naar de toekomst gecorrigeerd. Het bezwaar van eiser daartegen slaagt niet, ook niet wanneer de pensioenopbouw daardoor lager wordt doordat de pensioenpremie lager wordt. Eiser stelt verder dat de eindafrekening niet klopt omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met het werkgeversdeel van de pensioenpremie. De rechtbank oordeelt dat de werkgeverspremie geen onderdeel uitmaakt van het loonbegrip. Daarom hoeft dat niet bij het berekenen van het uurloon voor de uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren te worden meegenomen. 13-08-2021
- Rechtbank Rotterdam Langdurig geschil tussen Bedrijfstakpensioenfonds beroepsvervoer en werkgever over de juistheid en omvang van de premievorderingen. In eerdere vonnissen is overwogen dat het onmogelijk was om op basis van de door partijen in het geding gebrachte grote hoeveelheid gegevens de juistheid van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht te verifiëren, zodat zonder nadere toelichting van partijen geen beslissing kan worden gegeven. De zaak is daarna jarenlang aangehouden op verzoek van partijen. Het gaat in deze zaak nu alleen nog om de vraag of gedaagde moet worden veroordeeld om een bedrag van € 113.559,10 aan pensioenpremies te betalen aan het Pensioenfonds over de jaren 2005-2012. Het Pensioenfonds is er nog steeds niet in geslaagd duidelijk te maken welk bedrag aan pensioenpremie werkgever nog moet betalen. Nu het Pensioenfonds zijn vordering niet heeft onderbouwd, zal de kantonrechter uitgaan van het overgelegde overzicht van werkgever en hem veroordelen om het door hem (later in deze procedure) erkende bedrag van € 8.647,43 aan het Pensioenfonds te betalen. 13-08-2021
- Rechtbank Overijssel Geschil over hoogte aanvullende uitkering arbeidsongeschiktheidspensioen van volledig arbeidsongeschikte ex-werknemer politie. Bij het bepalen van de hoogte van de aanvullende uitkering is rekening gehouden met zowel WIA als het arbeidsongeschiktheidspensioen. De rechtbank oordeelt dat in dit geval een wettelijke grondslag voor het meenemen van het arbeidsongeschiktheidspensioen ontbreekt. 05-08-2021
- Rechtbank Rotterdam Geschil over buitengerechtelijke kosten die Bedrijfstakpensioenfonds bouw en sociale cao-fondsen vorderen van onderneming in de bouwnijverheid. De hoofdsom is betaald. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van overeengekomen buitengerechtelijke kosten in het uitvoeringsreglement. Getoetst wordt aan de eisen voor dergelijke vorderingen in het rapport BGK integraal. In deze zaak is geen sprake van meer dan werkzaamheden dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaningsbrief. Er zijn onvoldoende buitengerechtelijke werkzaamheden verricht om te oordelen dat zij recht hebben op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. 05-08-2021
- Rechtbank Den Haag Geschil over de mate van arbeidsongeschiktheid van een militair die uitgezonden is geweest naar Libanon. Na letsel aan zijn rechterknie tijdens de uitoefening van militaire dienst is zijn mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 20%. Naar aanleiding van bezwaar daartegen wegens PTSS en een second opinion door eiser is de mate van arbeidsongeschiktheid om die reden na psychiatrische analyse door Defensie verhoogd met 1,25%. Eiser meent dat dit 10,8% moet zijn. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser daartegen ongegrond is. 03-08-2021
- Rechtbank Den Haag Geschil ex-militair en Defensie over hoogte militair arbeidsongeschiktheidspensioen. De ex-militair heeft PTSS en vele klachten, waaronder prostaatcarcinoom. Na heroverweging in bezwaar is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 10,83% en is hem een militair arbeidsongeschiktheidspensioen toegekend. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt dat voor de door eiser geclaimde aandoeningen geen sprake is van dienstverband. Eiser is op basis van een eigen schatting uitgekomen op een mate van invaliditeit van 69,6% (70%). Verzekeringsarts Koperberg is naar aanleiding van het beroepschrift tot de conclusie gekomen dat de mate van invaliditeit moet worden berekend op 20,42%. Het beroep is gegrond voor zover verweerder de mate van invaliditeit met dienstverband heeft vastgesteld op 10,83%. De rechtbank zal het beroep in zoverre vernietigen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat eiser met ingang van 22 maart 2017 aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen berekend onder meer naar een mate van 20,42% van de pensioengrondslag. 03-08-2021
- Rechtbank Oost-Brabant Executiegeschil. Na echtscheiding is de bv van de man (DGA) veroordeeld om het deel van het ouderdomspensioen af te storten. Vervolgens heeft de vrouw na kort geding een vonnis verkregen waarin eiser veroordeeld is tot dwangsommen van € 25.000 per dag met een maximum van € 1 miljoen. De vrouw heeft na het verlopen van de tijd laten weten dat de dwangsommen waren verbeurd tot een bedrag van (toen) € 75.000. Daarna is executoriaal beslag gelegd. Eind 2020 is het bedrag dat benodigd was voor het werknemerspensioen afgestort. Eiser vordert opheffing van de beslagen en opheffing van de dwangsomveroordeling. De rechtbank oordeelt dat voorshands niet onaannemelijk is dat eiser een bedrag aan dwangsommen verbeurd heeft, gelet op het feit dat het bedrag voor het werknemerspensioen van gedaagde pas eind 2020 is afgestort. Vooralsnog is niet gebleken dat eiser door de door gedaagde gelegde executoriale beslagen zwaar getroffen is. Het belang van gedaagde bij handhaving van de executoriale beslagen wordt dan ook geacht zwaarder te wegen dan dat van eiser bij opheffing daarvan. De dwangsom op nakoming door eiser van veroordeling punt 5.2 van het vonnis dient (voor de toekomst) te worden opgeheven omdat vaststaat dat eiser deze veroordeling inmiddels is nagekomen, en de dwangsom op nakoming door eiser van veroordeling punt 5.4 van het vonnis dient te worden opgeheven omdat vaststaat dat nakoming door eiser (inmiddels) blijvend onmogelijk is. 30-07-2021
- Rechtbank Rotterdam Partijen hebben een executiegeschil over de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst na vernietiging door het hof van het door de werkgever gegeven ontslag op staande voet. Partijen verschillen onder meer van inzicht over het percentage in te houden loonheffing, te storten bedrag in pensioenvoorziening en de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. Op het punt van de (netto)salarisbetalingen heeft werkgever aan het arrest voldaan. De rechtbank oordeelt dat werkgever nog € 11.049,79 moet storten in de pensioenvoorziening van werknemer. 28-07-2021
- Rechtbank Den Haag De rechtbank oordeelt dat de aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen terecht is afgewezen. Eiser stelt PTSS te hebben opgelopen tijdens uitzending als dienstplichtig militair naar Libanon. De psychiater kan geen PTSS vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de psychiater deugdelijk en inzichtelijk uiteengezet waarom hij anders dan eisers behandelaars geen PTSS heeft kunnen vaststellen. Dat de behandelaars tot een andere diagnose zijn gekomen is geen aanleiding tot twijfel aan de diagnose van de deskundige. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de deskundige heeft aangeven dat het verschil in diagnose mogelijk samenhangt met de context van zijn psychische expertise, waarbij de nadruk ligt op het objectiveren van de klachten, terwijl binnen een behandelsetting voor een belangrijk deel ook gevaren wordt op de subjectieve beleving van klachten; het primaire doel van de behandeling bestaat immers uit verlichting van lijden zoals de patiënt dat beleeft. De lengte van het onderzoek is op zichzelf niet bepalend voor de zorgvuldigheid daarvan. 09-03-2021
Antillen
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Geschil over nakoming pensioenovereenkomst. Pensioenovereenkomst met defined benefit-regeling is overgenomen door RBC. Deze had pensioenverzekeringsovereenkomsten afgesloten met Ennia, waaronder een DB-polis voor werknemer. Ennia maakt de aanspraken over aan RBC. Vervolgens ontstaat een procedure tussen RBC en Ennia over de vraag of het DB-plan bij Ennia had moeten blijven. Het gerecht oordeelt van niet, hoger beroep loopt. De werknemer verzoekt de rechter om RBC te bevelen het pensioen te verzekeren en onder te brengen. Het gerecht oordeelde dat werknemer daarbij geen belang had omdat RBC bereid was om zolang de procedure met Ennia loopt, de pensioenaanspraken te garanderen via een bankgarantie. Het gemeenschappelijk Hof oordeelt dat werknemer voldoende belang heeft. Het beroep van RBC op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gaat op. Het Hof acht, zolang er geen onherroepelijke uitspraak is in het geding tussen RBC en Ennia, het afdwingen van nakoming van de verzekeringsverplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. 29-06-2021
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Vraag welke vermogensbestanddelen van ontbonden (huwelijks)gemeenschap nog verdeeld moeten worden. Geïntimeerde stelt dat het ouderdomspensioen is afgewikkeld. Appellante stelt dat geïntimeerde drie jaar lang een tijdelijk ouderdomspensioen heeft gehad. Het hof wijst de bedragen die appellant ter zake van het tijdelijk pensioen vordert toe. 29-06-2021
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Kern van het geschil is de vraag of er een beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen werkgever op Sint Maarten en werknemer. Uit de vaststaande feiten volgt onmiskenbaar dat zekerheid omtrent de pensioenkwestie voor appellant van doorslaggevend belang was om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan, aldus het Hof. Appellant heeft duidelijk aangegeven dat zij het beëindigingsvoorstel van RBC pas wil ondertekenen nadat de onduidelijkheden omtrent haar pensioen zijn opgehelderd. Waar het om gaat, is dat voor RBC evident was, althans moest zijn, dat appellant aan haar instemming met de beëindiging de voorwaarde had verbonden dat zij de zekerheid had dat haar pensioen- en accessoire rechten (bij een verzekeringsmaatschappij) verzekerd waren. Nu die voorwaarde niet was vervuld, was geen sprake van wilsovereenstemming c.q. een gerechtvaardigd vertrouwen daarop. Uit de vaststaande feiten blijkt dat appellant ook graag afscheid wil nemen van RBC en alleen de pensioenkwestie aan een afscheid in goed onderling overleg in de weg heeft gestaan. In die omstandigheden is sprake van een verandering in de omstandigheden die meebrengt dat de dienstbetrekking billijkheidshalve na korte tijd behoort te eindigen. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de duur van de dienstbetrekking, de leeftijd van appellant en het feit dat RBC dat bedrag bij een beëindiging in onderling overleg (zie het voorstel van 20 december 2019, productie 13 inleidend verzoekschrift) bereid was te betalen, komt een vergoeding van NAf 667.614,32 bruto billijk voor, onder aftrek van eventuele loonbetalingen na 31 december 2019 nu tussen partijen vaststaat dat appellant daarna niet meer gewerkt heeft noch daarvoor beschikbaar was. Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal RBC in de gelegenheid worden gesteld het verzoek in te trekken. 29-06-2021
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Geschil over pensioenontslag bij 60 jaar van werknemer op Sint Maarten. Werknemer protesteert tegen pensioenontslag. Het gerecht oordeelt dat de primaire en subsidiaire vordering tot samengevat herstel dienstbetrekking en kennelijk onredelijk ontslag is verjaard. De meer subsidiaire vordering tot betaling van loon- en pensioenschade is toegewezen. In hoger beroep oordeelt het Hof dat er geen objectieve rechtvaardiging is voor het pensioenontslagbeding. Er is niet incidenteel geappelleerd tegen het nietige ontslag. Geïntimeerde heeft er (bewust) voor gekozen om na zijn einde dienstverband als consultant (en zelfstandige) tegen betaling klussen voor SMTOC te blijven doen en heeft dat ook gedaan. Het Hof is van oordeel dat geïntimeerde (stilzwijgend) heeft ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door SMTOC per datum 31 maart 2018 en dat SMTOC erop mocht vertrouwen dat de arbeidsverhouding met wederzijds goedvinden was beëindigd, althans dat geïntimeerde daarin had berust. Geïntimeerde heeft zijn recht om het pensioenontslag alsnog aan te vechten en schadevergoeding te vorderen verwerkt. 11-06-2021
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Geschil over verdeling pensioen na scheiding op Curaçao. Het Hof oordeelt dat de eiswijziging bij akte is toegestaan volgens het Curaçaose procesrecht. De vrouw kan aanspraak maken op het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen, via een maandelijkse uitkering. De brief van APC over de omvang van de pensioenaanspraken bevat twee scenario’s, een eenmalige uitkering en een jaarlijkse uitkering. De man heeft een eenmalige uitkering betaald aan de vrouw, die betwist daarmee akkoord te zijn. Het hof oordeelt dat de vrouw recht heeft op een maandelijkse uitkering. De man dient zich na contact met APC bij akte uit te laten over de hoogte van de maandelijkse uitkering. 09-02-2021