Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 4, editie 7. Daarin vindt u een overzicht van 27 in juli 2021 gepubliceerde uitspraken over pensioen. U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
Verplichtstelling Nederlands pensioenfonds niet in strijd met vrij dienstenverkeer (PR 2021-0135)
In de literatuur is gesteld dat de Nederlandse verplichtstelling in strijd zou zijn met het vrij verkeer van diensten. Deze maand werd daar voor het eerst over geoordeeld. Een notaris was het niet eens met meerdere wijzigingen van de pensioenregeling van het verplichtgestelde beroepspensioenfonds notariaat. Hij vond dat compensatie nodig was geweest. Verder stelde hij dat het verplichtstellingbesluit nietig was, want strijdig met Europees recht. Was de verplichte deelname aan het Nederlandse pensioenfonds geen discriminatie naar nationaliteit en moesten daar geen prejudiciële vragen over worden gesteld aan het Hof van Justitie EU? De rechtbank wees de vorderingen af. Volgens de rechtbank was er weliswaar exclusiviteit maar geen rechtstreeks onderscheid naar nationaliteit. Verder besliste de rechtbank dat de Albany-rechtspraak van het Hof van Justitie EU meebracht dat er geen strijd was met het Europees mededingingsrecht. Uit die rechtspraak – Pavlov voor beroepspensioenfondsen – volgde ook dat de verplichtstelling verenigbaar is met het vrij verkeer van diensten, aldus de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2021:7064).
Werkgever hoeft geen hogere premies te betalen bij streefregeling (PR 2021-0145)
Deze maand waren er twee uitspraken over de uitleg van streefregelingen waarbij een beoogd pensioen is toegezegd. Dat is weerbarstige materie waarin de afspraken uitgelegd moeten worden en de welbekende feiten en omstandigheden bepalend kunnen zijn. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat een werkgever de afspraken uit de pensioenbrief was nagekomen. In de pensioenbrief stond geen verplichting voor de werkgever om bij een veranderde prognose van de koopsomtarieven (als gevolg van dalende rente en stijgende levensverwachting) zijn pensioenaanspraken af te financieren door het voldoen van aanvullende premie. Aanpassing van de pensioenregeling was volgens de pensioenbrief pas vereist indien dit naar het oordeel van de verzekeraar nodig is. De pensioenbrief noch goed werkgeverschap verplichtte de werkgever om tijdens de looptijd van de pensioenregeling (periodiek) te (laten) controleren of de verzekeraar wel van toereikende rekenrentes en/of prognoses uitging. De werkgever was geen partij bij de pensioenverzekering en zijn verplichtingen tegenover werknemer waren in de pensioenbrief opgenomen (ECLI:NL:GHARL:2021:7214). In de andere deze maand gepubliceerde zaak over een streefregeling van een advocaat van DLA met een rekenrente van 5% moet nog een aktewisseling plaatsvinden (ECLI:NL:RBAMS:2021:3266, PR 2021-0132).
Verevening pensioen over voorhuwelijkse periode in echtscheidingsconvenant (PR 2021-0143)
Deze maand waren er acht uitspraken waarin het ging om pensioen en scheiding. Noemenswaardig is die waarin partijen in de huwelijkse voorwaarden afwijking van de WVPS waren overeengekomen. Dat is op zichzelf toegestaan. De man was al twee maal eerder gehuwd, de eerste maal tot 29 september 1998 en de tweede maal tot 6 augustus 2008. De tweede vrouw heeft afstand gedaan van haar pensioenrechten. In de huwelijkse voorwaarden met de derde vrouw stond dat de periode waarover zal worden verevend niet de huwelijkse periode is maar de periode vanaf 1 januari 1997 en afspraken over conversie. De vrouw verzoekt om echtscheiding en verevening vanaf 1 januari 1997. De rechtbank oordeelde dat voldoende duidelijk was dat het de bedoeling was om de vereveningsperiode uit te breiden. Nu verevening van het ouderdomspensioen met de vrouw over de periode van het eerste huwelijk niet mogelijk is, kan het verzoek ten aanzien van verevening van het ouderdomspensioen pas vanaf 29 september 1998 worden toegewezen (ECLI:NL:RBAMS:2021:3207).
Vorige maand was er nog een uitspraak waarbij de standaardverevening van toepassing was hoewel in de uiteindelijke versie van de huwelijkse voorwaarden de voorhuwelijkse periode was meegenomen (ECLI:NL:RBROT:2021:5662, PR 2021-0111). Het blijft Haviltexen waarbij de uitleg van partijbedoeling wordt getoetst.
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar pr-updates@budh.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
Raadsheer-plaatsvervanger Hof Den Bosch
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil tussen werknemer en werkgever over de uitleg van een streefregeling. Werkgever heeft steeds gedaan waartoe de pensioenbrief hem verplichtte. Anders dan werknemer meent, volgt uit de pensioenbrief niet zonder meer een verplichting voor GDB om bij een veranderde prognose van de koopsomtarieven (als gevolg van dalende rente en stijgende levensverwachting) zijn pensioenaanspraken af te financieren door het voldoen van aanvullende premie. Voor een aanpassing van de pensioenregeling is volgens de pensioenbrief immers pas plaats indien dit naar het oordeel van Zwitserleven nodig is. Dat de werkgever tijdens de looptijd van de pensioenregeling (periodiek) had moeten (laten) controleren of Zwitserleven wel van toereikende rekenrentes en/of prognoses uitging, zoals werknemer aanvoert, kan niet op de pensioenbrief worden gebaseerd. De norm van goed werkgeverschap gaat naar het oordeel van het hof evenmin zo ver, te minder nu het gaat om een pensioenverzekering waar GDB zelf geen partij bij was en haar verplichtingen inzake de pensioenregeling tegenover werknemer in de pensioenbrief waren opgenomen. 27-07-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil over de nakoming van de pensioenovereenkomst. In de arbeidsovereenkomst staat dat de werknemer toetreedt tot het pensioenfonds. Dat is gebeurd tot 1 januari 2012. Toen is de werknemer in verband met financiële problemen van werkgever afgemeld bij het pensioenfonds en is inhouding en afdracht van de pensioenpremie gestopt. Omdat werknemer van een en ander op de hoogte was en daartegen pas in november 2017 opkomt, slaagt het beroep van werkgever op verjaring van de nakomings- en schadevergoedingsvorderingen van werknemer. Werkgever mocht niet aannemen dat werknemer blijvend had ingestemd met het niet betalen van vakantietoeslag 2015 en 2016. 27-07-2021
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Kern van het geschil is de vraag of de werkgevers vallen onder de werkingssfeer van de cao metaal en techniek en de verplichtstellingsbeschikking van het bedrijfstakpensioenfonds. Zij debatteren over de vraag of in onroerend goed en/of rioolservice uitsluitend of in hoofdzaak werkzaamheden worden verricht die vallen binnen de omschrijving van de bedrijfstak “Technisch Installatiebedrijf”. De sociale fondsen in de metaalsector vorderen premieafdracht. 20-07-2021
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Geschil over pensioen na echtscheiding onder regime Boon/van Loon. Na tussenarrest is een akte genomen. Het hof overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat de afwikkeling van de pensioenrechten heeft plaatsgevonden bij de levering van de woning. Dat betekent dat appellante nog een vordering heeft vanwege de tijdens haar huwelijk met ex-echtgenoot opgebouwde pensioenrechten. Het hof oordeelt in navolging van de rechtbank dat haar beroep op die vordering wordt afgewezen vanwege rechtsverwerking. 20-07-2021
- Gerechtshof Amsterdam Martinair en werknemer hebben onderhandeld over beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Relevant bij de vormgeving van de beëindiging is of de vrijwillige vertrekregeling fiscaal wordt aangemerkt als een RVU-regeling. Dan geldt een extra heffing van 52%. Na uitwisseling van standpunten wordt er een vaststellingsovereenkomst gesloten met individuele beëindigingsvergoeding. Werknemer vordert nabetaling beëindigingsvergoeding voor de situatie dat achteraf zou komen vast te staan dat de vrijwillige vertrekregeling niet kwalificeert als Regeling Vervroegd Uittreden. Het hof oordeelt dat de werknemer geen recht heeft op een andere vergoeding dan die in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. 20-07-2021
- Gerechtshof Amsterdam Geschil na vaststellingsovereenkomst Martinair en werknemer. Relevant is dat de vrijwillige vertrekregeling van Martinair door de Belastingdienst is aangemerkt als RVU, met extra heffing van 52% tot gevolg. Partijen sluiten een vaststellingsovereenkomst met daarin een beëindigingsvergoeding en finaal kwijtingsbeding. Na sluiten van de vaststellingsovereenkomst blijkt na een procedure bij de rechtbank dat de RVU niet van toepassing is. Werknemer vordert daarop vergoeding buiten het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen bedrag. Het hof legt de vaststellingsovereenkomst uit en concludeert dat partijen daaraan gebonden zijn. 20-07-2021
- Gerechtshof Amsterdam Geschil na vaststellingsovereenkomst Martinair en werknemer. Relevant is dat de vrijwillige vertrekregeling van Martinair door de Belastingdienst is aangemerkt als RVU, met extra heffing van 52% tot gevolg. Partijen sluiten een vaststellingsovereenkomst met daarin een beëindigingsvergoeding en finaal kwijtingsbeding. Na sluiten van de vaststellingsovereenkomst blijkt na een procedure bij de rechtbank dat de RVU niet van toepassing is. Werknemer vordert daarop vergoeding buiten het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen bedrag. Het hof legt de vaststellingsovereenkomst uit en concludeert dat partijen daaraan gebonden zijn. 20-07-2021
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Geschil over vraag of werkgever dekkingstekort voormalig pensioenfonds moet bijstorten jegens gepensioneerden.Het hof oordeelt dat de voormalig werkgever jegens de gepensioneerden niet gehouden is om het dekkingstekort van (voormalig) pensioenfonds aan te zuiveren door bijstortingen bij een verzekeraar. Samengevat is het hof van oordeel dat (de aanzuiveringsbepaling in) de uitvoeringsovereenkomst 1995 niet (via het pensioenreglement 2006) in de pensioenovereenkomst is geïncorporeerd. De uitvoeringsovereenkomst is geen onderdeel geworden van de pensioenovereenkomst. Het aangaan van een andere uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds ter financiering van de nieuwe pensioenregeling maakt de (opbouw van) pensioenaanspraken niet illusoir. De uitvoeringsovereenkomst 1995 schept voor de gepensioneerden pas het recht om jegens geïntimeerde een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een beding met de door de gepensioneerden voorgestane strekking inhoudt. Daarvan is geen sprake, aldus het hof. 13-07-2021
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Ex-vrouw procedeert tegen dochter van overleden ex-echtgenoot. In het echtscheidingsconvenant is wederzijds afstand gedaan van pensioenrechten. Het hof verwerpt het argument dat het echtscheidingsconvenant buiten toepassing moet worden gelaten op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. 29-06-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Bedrijfstakpensioenfonds Beroepsvervoer over de Weg houdt ex-bestuurder expeditiebedrijf aansprakelijk voor niet afgedragen pensioenpremies. De premies hebben betrekking op de periode dat appellant daarvan bestuurder was. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat aansprakelijkheid van appellant niet rechtstreeks op artikel 23 Bpf kan worden gebaseerd. Anders dan de kantonrechter oordeelt het hof dat de ex-bestuurder niet aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. Het hof oordeelt dat het Pensioenfonds niet voldoende heeft onderbouwd dat appellant persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt voor de per saldo niet afgedragen pensioenpremies over de jaren 2006-2008, zodat geen grond is voor het oordeel dat hij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover het Pensioenfonds en op die grond schadeplichtig is. 29-06-2021
- Gerechtshof Amsterdam Werknemer heeft beëindigingsvoorstel bank (BCP) niet geaccepteerd. Nadien is door overgang van onderneming arbeidsovereenkomst voortgezet met pensioenovereenkomst verkrijger (Chaabi Bank). Werknemer maakt alsnog aanspraak op het beëindigingsvoorstel. De kantonrechter oordeelde dat die vordering was verjaard. Het hof oordeelt dat de vordering is gestuit. Het niet geaccepteerde beëindigingsvoorstel is echter geen recht of verplichting voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst dat door overgang van onderneming op de verkrijger is overgegaan. Het hof oordeelt dat de bank heeft voldaan aan haar informatieverplichting over zijn pensioenaanspraken. Bij de overgang van onderneming van BCP naar Chaabi Bank is werknemer geïnformeerd dat hij ging deelnemen aan de pensioenregeling van Chaabi Bank bij Interpolis, conform de cao Banken. De pensioentoezeggingen van BCP zijn daarmee op grond van artikel 7:664 lid 1 aanhef en onder a BW niet van rechtswege overgegaan op Chaabi Bank. 22-06-2021
- Gerechtshof Den Haag Geschil over afwikkeling na echtscheiding. In hoger beroep vordert de vrouw onder meer achterstallige pensioenverevening van de man voor een bedrag van € 6.806,63. Het hof veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen – ter zake van pensioenverevening – een bedrag van € 6.806,63 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. 08-06-2021
- Gerechtshof Den Haag Geschil over verevening en afstorting van in eigen beheer opgebouwd pensioen. De rechtbank heeft beslist dat deskundige advies moet uitbrengen. Naar het oordeel van het hof zijn partijen onderling niet in staat om uitvoering te geven aan de beschikking van de rechtbank van 18 november 2016. De rechtbank geeft in haar dictum geen instructie hoe gehandeld dient te worden indien partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de te benoemen deskundige. Het hof stelt vast dat er tussen partijen een volledige impasse bestaat met betrekking tot de pensioenverevening. De vrouw kan zich verenigen met de vordering van de man om een pensioenadviseur als ook een accountant als deskundigen te benoemen. Nu partijen daar overeenstemming over hebben zal het hof overeenkomstig beslissen. Om een verdere impasse te voorkomen zullen de deskundigen werken onder regie van het hof. Partijen hebben ter zitting op voorhand ingestemd met de door het hof te benoemen deskundigen en de door het hof te formuleren vragen zijn besproken. 06-04-2021
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Geschil over de vraag of appellante aanspraak kan maken op verdeling van de pensioenrechten van haar overleden ex-echtgenoot. De rechtbank heeft het beroep op rechtsverwerking van de latere echtgenote gehonoreerd. In hoger beroep is tevens aan de orde of de door ex-echtgenoot tijdens het huwelijk met appellante opgebouwde pensioenrechten inmiddels zijn verdeeld althans verrekend tijdens de levering van de echtelijke woning. Het hof is van oordeel dat gelet op de correspondentie van appellante en ex-echtgenoot niet is uitgesloten dat de verdeling van de pensioenrechten heeft plaatsgevonden tijdens de levering van de echtelijke woning. Het hof verwijst de zaak naar de rol voor het nemen van een akte aan de zijde van appellante over de vraag of haar vordering vanwege de door ex-echtgenoot opgebouwde pensioenrechten nog bestaat, of en in hoeverre daarmee rekening is gehouden bij de levering van de echtelijke woning op 30 mei 1994 of op een ander moment en wat de omvang van de tijdens het huwelijk met ex-echtgenoot opgebouwde pensioenrechten (nog) is. Vervolgens zal geïntimeerde 1 in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte te nemen. 23-02-2021
Rechtbank
- Rechtbank Amsterdam Geschil over de vraag of de maximering van de beëindigingsvergoeding in sociaal plan/vso op AOW-leeftijd van een bank verboden onderscheid naar leeftijd vormt. Het sociaal plan is tot stand gekomen in overleg met OR, daarom heeft de rechter een ruimere beoordelingsmarge. De finale kwijting in de vso heeft geen betrekking op maximering. De kantonrechter oordeelt dat er geen verboden onderscheid naar leeftijd is omdat de bank een objectieve rechtvaardiging heeft. Werknemer hoeft er bij ontslag niet op vooruit te gaan ten opzichte van de situatie waarin zijn arbeidsovereenkomst op de AOW-leeftijd zou zijn geëindigd. 26-07-2021
- Rechtbank Gelderland Geschil over verevening na scheiding. In 2012 heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld om benodigd kapitaal voor nakoming pensioen- en stamrechten af te storten in bedrijf. In 2020 sommeert de man de vrouw om alsnog aan het vonnis te voldoen. Hij vordert primair betaling van het kapitaal per 1 mei 2021 van € 355.274 en subsidiair betaling van het kapitaal per 1 november 2011 van € 164.095. De rechtbank oordeelt dat de afstemmingsregel meebrengt dat hij in beginsel zijn vonnis afstemt op het oordeel van de bodemrechter. Hij wijst het subsidiair gevorderde toe. 13-07-2021
- Rechtbank Amsterdam Kern van het geschil betreft de vraag hoe de streefregeling van een voormalig advocate van DLA moet worden uitgelegd. De rechtbank legt de pensioenbrief mede aan de hand van de offerte zo uit dat voor de berekening van het (ter uitvoering van de pensioentoezegging) te verzekeren kapitaal een rekenrente van 6% is overeengekomen. Uit het feit dat sprake is van een beoogd pensioen valt reeds af te leiden dat sprake is van onzekerheid of het pensioenresultaat uiteindelijk gelijk zou zijn aan een eindloonpensioen. In de pensioentoezegging is voldoende tot uitdrukking gebracht dat sprake was van een voorbehoud met betrekking tot de hoogte van de pensioenuitkeringen en dat het risico op een tegenvallend resultaat in dat verband voor rekening komt van de voormalige advocate. Zij heeft onvoldoende over het voetlicht weten te brengen dat de circulaire van de PVK tot een wijziging van de tussen partijen gemaakte afspraken had moeten leiden. Uit de brief van de PVK volgt dat het doelvermogen op een hogere rente dan de actuele marktrente mag worden gebaseerd onder de voorwaarde dat deze rente onderdeel uitmaakt van een schriftelijke toezegging en deze rente gelet op de lange termijn ervaringscijfers prudent is. Tussen partijen is niet in geschil dat DLA de premiebetaling per 1 januari 2014 aan Nationale Nederlanden ten onrechte heeft gestaakt. Daarom is de vordering ter zake toewijsbaar. Eiseres heeft verder gesteld dat DLA bij de berekening van het pensioen uit is gegaan van onjuiste uitgangspunten. Daarop mag DLA bij akte reageren. 06-07-2021
- Rechtbank Rotterdam Werkgever (eenmanszaak) valt onder werkingssfeer bouwnijverheid. Niet in geschil is dat werkgever premieplichtig is voor werknemers aan pensioenfonds en sociale fondsen. Werkgever meent dat de werknemers in dienst zijn van een bv. De rechtbank constateert dat loongegevens zijn aangeleverd onder het aansluitnummer van de eenmanszaak van gedaagde in plaats van zijn bv. De pensioenfondsen mogen van de door gedaagde aangeleverde gegevens uitgaan, zodat gedaagde de nota’s moet betalen. 01-07-2021
- Rechtbank Rotterdam Geschil over de verdeling van pensioen tussen ex-echtgenoten. De rechtbank oordeelt dat eiseres met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op een gedeelte van de door gedaagde opgebouwde pensioenrechten, waarbij geen sprake is van rechtsverwerking. Gedaagde heeft de hoogte van het door eiseres gevorderde bedrag van € 26.058,07 aan pensioenaanspraken tot en met juni 2020 niet betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Gedaagde zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan eiseres. Gedaagde zal voorts worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 243,53 per maand vanaf de maand juli 2020. Daarop strekken in mindering de bedragen die gedaagde vanaf 1 juli 2020 reeds aan eiseres heeft voldaan. Gedaagde heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het gedeelte van de pensioenuitkering van eiseres waarop gedaagde recht heeft, dient te worden verrekend met hetgeen zij van gedaagde ontvangt. 30-06-2021
- Rechtbank Den Haag Notaris stelt dat pensioenfonds notariaat en notariële broederschap onrechtmatig hebben gehandeld door pensioenwijzigingen in 2007 en 2014 door te voeren zonder compensatie- of overgangsmaatregelen. Tevens stelt hij dat de verplichtstelling nietig is en verzoekt hij om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU of de verplichtstelling aan een Nederlands pensioenfonds discriminatie naar nationaliteit is. De rechtbank wijst de vorderingen af. De vorderingen voor wat betreft 2007 zijn verjaard. Het niet treffen van compensatie- of overgangsmaatregelen bij wijziging van de pensioenreglementen is niet onrechtmatig. De verplichtstelling is niet in strijd met het Europese verbod op de beperkingen van vrij verkeer van diensten. 30-06-2021
- Rechtbank Midden-Nederland Kern van het geschil is of de stichting onder de werkingssfeer van PFZW valt en of de premievorderingen verjaard zijn. De kantonrechter verklaart voor recht dat de vordering van PFZW tot betaling van pensioenpremies vanaf 1 april 1996 tot 23 april 2013 is verjaard en verklaart voor recht dat FSAN over de periode van 23 april 2013 tot 1 januari 2016 en de jaren 2017 en 2018 valt onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van PFZW en dat zij gedurende die periode de statuten, reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van PFZW moet naleven en verplicht is om aan PFZW werknemersgegevens te verstrekken en premies te betalen. 30-06-2021
- Rechtbank Noord-Nederland Geschil na opzegging arbeidsovereenkomst door werkgever. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever onder de reikwijdte valt van de algemeen verbindend verklaarde cao sociaal werk. De werkzaamheden van de werkneemster vallen volgens de kantonrechter aan te merken als maatschappelijk werk. De kantonrechter bepaalt dat het dienstverband onregelmatig is opgezegd en veroordeelt de werkgever tot betaling van bedragen wegens onregelmatige opzegging, transitievergoeding, achterstallig salaris en overige emolumenten. Tevens veroordeelt hij de werkgever om de werkgever aan te melden bij PFZW en premieafdracht. 26-04-2021
- Rechtbank Amsterdam Geschil bij echtscheiding over verevening pensioen. Man was al tweemaal eerder gehuwd, de eerste maal tot 29 september 1998 en de tweede maal tot 6 augustus 2008. De tweede vrouw heeft afstand gedaan van haar pensioenrechten. In de huwelijkse voorwaarden met de derde vrouw is opgenomen dat de periode waarover zal worden verevend niet de huwelijkse periode is maar de periode vanaf 1 januari 1997 en afspraken over conversie. De vrouw verzoekt om echtscheiding en verevening vanaf 1 januari 1997. De rechtbank oordeelt dat voldoende duidelijk is dat het de bedoeling was om de vereveningsperiode uit te breiden. Nu verevening van het ouderdomspensioen met de vrouw over de periode van het eerste huwelijk niet mogelijk is, kan het verzoek ten aanzien van verevening van het ouderdomspensioen pas vanaf 29 september 1998 worden toegewezen. Verder verklaart de rechtbank voor recht dat het ouderdomspensioen zoals opgebouwd vanaf 29 september 1998 dient te worden geconverteerd en gelast de man zijn volledige en onbelemmerde medewerking te verlenen hieraan. 14-04-2021
Centrale Raad van Beroep
- Centrale Raad van Beroep De vraag die voorligt, is of appellante een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt op grond waarvan de verminderde pensioenopbouw over vier uur per week in de periode vanaf 11 april 2018 niet op haar kan worden afgewenteld. Bij het besluit van 20 februari 2018 heeft de korpschef de arbeidstijd van appellante vanaf 11 april 2018 met elf uur per week verminderd. Hierbij heeft de korpschef uitdrukkelijk en zonder voorbehoud vermeld dat alle aan het salaris gerelateerde aanspraken, zoals pensioenopbouw, gelijk blijven. Onder de omstandigheden is sprake van een aan de korpschef toe te rekenen toezegging waaruit appellante redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat zij vanaf 11 april 2018 aanspraak behoudt op een volledige pensioenopbouw. Het belang van appellante bij nakoming van deze toezegging moet dan ook worden afgewogen tegen het belang van de korpschef. In dit geval moet worden geoordeeld dat de korpschef gehouden is om aan de gerechtvaardigde verwachtingen te voldoen. Onder de omstandigheden prevaleert het belang van appellante om de toezegging na te komen boven het belang van de korpschef. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. 16-07-2021
- Centrale Raad van Beroep De CRvB oordeelt dat het verzoek om toekenning van een militair invaliditeitspensioen van een militair met leukemie ten onrechte is afgewezen. Binnen Defensie is gewerkt met PX10. Het betoog dat 20 jaar na de laatste blootstelling een extra gezondheidsrisico ten opzichte van het natuurlijk risico op leukemie niet meer aantoonbaar is, kan niet slagen. De staatssecretaris heeft zich namelijk verbonden aan een risicoperiode van 25 jaar bij het bepalen van het causaal verband. De Raad oordeelt dat vermeldingen in het huisartsendossier doen vermoeden dat de klachten die hebben geleid tot de diagnose zich al vóór 7 september 2010, dus binnen de risicoperiode van 25 jaar hebben geopenbaard. De staatssecretaris heeft in de door betrokkene overgelegde gegevens ten onrechte geen aanleiding gezien om een nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek te laten verrichten. Met betrokkene constateert de Raad dat in het nader besluit en door de verzekeringsarts niet is ingegaan op de openbaring van de eerste klachten zoals die naar voren komt uit de medische gegevens. Niet duidelijk is wat dit betekent voor het causaal verband. Dit rechtvaardigt de conclusie dat nader verzekeringskundig onderzoek noodzakelijk is, waarbij ook de overige factoren dienen te worden betrokken. Een relevante factor is in ieder geval de omstandigheid dat betrokkene tabak rookt sinds zijn 16e jaar. Mocht de verzekeringsarts alsnog tot de conclusie komen dat sprake is van een invaliditeit in betekenende mate, in plaats van in enige mate, dan dient tevens een invaliditeitspercentage te worden vastgesteld in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. 15-07-2021
- Centrale Raad van Beroep Volgens appellant lijdt hij aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) die hij heeft opgelopen bij een arbeidsconflict. De Raad stelt uit de door appellant gegeven beschrijving vast dat het arbeidsconflict appellant sterk heeft aangegrepen, maar kan hier niet uit opmaken dat appellant is blootgesteld aan een levensbedreigende of seksueel gewelddadige situatie. Dat betekent dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met in militaire dienst opgelopen PTSS gediagnostiseerd moet worden. Uit het MPO-rapport volgt voorts dat meerdere artsen appellant in verschillende perioden in ieder geval hebben gediagnostiseerd met een bipolaire stoornis, type I. Verder blijkt uit dat rapport dat die ziekte niet in militaire dienst is opgelopen, maar hoogstens door werkomstandigheden tot openbaring kan zijn gekomen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen dienstverband wordt aangenomen voor de psychische ziekte waar appellant aan lijdt. Dan is er geen invaliditeit met dienstverband als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV). Dat betekent dat geen recht bestaat op een hoger militair arbeidsongeschiktheidspensioen 15-07-2021