Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 4, editie 6. Daarin vindt u een overzicht van twintig in juni 2021 gepubliceerde uitspraken over pensioen. U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
Bibliobusdienstverlener: vanaf 2010 werkingssfeer pensioenfonds bibliotheken (PR 2021-0112)
Zoals vrijwel elke maand waren er weer uitspraken over de werkingssfeer. Deze maand oordeelde het hof Arnhem-Leeuwarden over een in 2008 opgerichte onderneming (Karmac) die werkzaamheden verricht voor en diensten verleent aan bibliotheken. Het hof komt aan de hand van de successievelijke werkingssfeerbepalingen van het bedrijfstakpensioenfonds openbare bibliotheken tot de conclusie dat Karmac niet onder de verplichtstelling van het Pensioenfonds viel vóór 16 december 2010 maar wel vanaf die datum (ECLI:NL:GHARL:2021:6158).
Distributie- en opslagbedrijf valt onder beroepsvervoer over de weg (PR 2021-0114)
In veel werkingssfeerbepalingen staat een zogenoemd hoofdzakelijkheidscriterium. In deze zaak was de vraag of een distributie- en opslagbedrijf onder de werkingssfeer viel. Het hof had bij tussenarrest geoordeeld dat de werkgever onder de werkingssfeer viel wanneer, gemeten naar de loonsom, voor meer dan 50% werkzaamheden worden uitgeoefend die behoren tot het wegvervoer (het hoofdzakelijkheidscriterium). De door het hof ingeschakelde deskundige kan de vragen niet beantwoorden, omdat de brondocumentatie van verstrekte urenoverzichten bij Ado niet meer beschikbaar was. Het hof legt deze omstandigheid uit in het nadeel van de onderneming en oordeelt dat het verweer onvoldoende is onderbouwd. Het hof besliste dat de werkgever de premienota’s van Bpf moest betalen (ECLI:NL:GHARL:2021:5313).
Pensioenverevening over voorhuwelijkse periode in convenant ongeldig (PR 2021-0111)
Deze maand waren er weer meerdere echtscheidingszaken over pensioen. Vaak wordt dan toepassing van de verevening conform de WVPS verzocht. In deze zaak was daarvan in de laatste versie van het echtscheidingsconvenant afgeweken door ook de voorhuwelijkse periode te noemen. Afwijken kan bij echtscheidingsconvenant. De rechtbank oordeelde evenwel dat de man het convenant wel had ondertekend maar dat zijn wil niet was gericht op pensioenverevening vanaf datum samenleving vóór huwelijk. In de voorafgaande correspondentie was steeds gesproken over verevening dan wel verdeling conform WVPS. In de tekst stond standaardverevening. De wijziging in de laatste versie van het convenant over de voorhuwelijkse periode was niet benoemd. Dat had gelet op het belang van de wijziging en het wel benoemen van andere wijzigingen wel gemoeten (ECLI:NL:RBROT:2021:5662).
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar pr-updates@budh.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
Raadsheer-plaatsvervanger Hof Den Bosch
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Karmac is een in 2008 opgerichte onderneming die werkzaamheden verricht voor en diensten verleent aan bibliotheken. Vanaf 5 januari 2009 verricht Karmac bibliobusdiensten voor een aantal openbare bibliotheken. Vanaf 2014 exploiteert Karmac ook lokale bibliotheken. Kern van dit geschil is de vraag of en zo ja, vanaf welk moment werkgever Karmac valt onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds voor openbare bibliotheken. Het pensioenfonds is deze procedure begonnen met een vordering voor recht te verklaren dat Karmac met ingang van 7 april 2008 onder de verplichtstelling van het Pensioenfonds valt. Het hof komt tot de conclusie dat Karmac niet onder de verplichtstelling van het Pensioenfonds viel vóór 16 december 2010 maar wel vanaf die datum. 22-06-2021
- Gerechtshof Amsterdam Appellant heeft bij de rechtsvoorganger van Scildon in 1994 een pensioenverzekering afgesloten met een arbeidsongeschiktheidsverzekering met Plusdekking. In 2010 is een geschil ontstaan over de uitleg van de verzekeringen. In een procedure die is aangespannen tegen Scildon heeft het hof Amsterdam geoordeeld dat de verzekeraar bij het aangaan van de verzekeringen zijn zorgplicht heeft geschonden door niet voldoende uitleg te geven over het product. Scildon is veroordeeld tot vergoeding van de schade die appellant als gevolg daarvan heeft geleden. In deze schadestaatprocedure gaat het om de vaststelling van die schade. Het hof oordeelt dat er geen causaal verband is tussen normschending en gestelde schade. Evenmin is er aanleiding voor toepassing van het leerstuk van kansschade. De vordering van appellant strandt. 08-06-2021
- Gerechtshof Den Haag Geschil na internationale echtscheiding Duitse man en Britse vrouw. Geschil gaat onder meer over verdeling van opgebouwd pensioen. Texaans recht is van toepassing op de huwelijksgoederengemeenschap en het pensioen. De rechtbank oordeelde dat de helft van de door de Duitse man gedurende het huwelijk van 2005 tot aan 18 december 2018 opgebouwde pensioenaanspraken bij pensioenfonds – te weten € 426.347,61 – met pensioennummer 2 aan de Britse vrouw werd toegescheiden door middel van “pension sharing’. Het hof ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. 02-06-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Kern van het geschil is of Almere Distributie en Opslag B.V. (hierna: Ado) van oktober 2012 tot en met januari 2014 onder de werkingssfeer van het verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds voor beroepsvervoer over de weg viel. Bij tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat daarvan sprake is wanneer, gemeten naar de loonsom, voor meer dan 50% werkzaamheden worden uitgeoefend die behoren tot het wegvervoer (het hoofdzakelijkheidscriterium). De door het hof ingeschakelde deskundige kan de vragen niet beantwoorden, omdat de brondocumentatie van verstrekte urenoverzichten bij Ado niet meer beschikbaar was. Het hof legt deze omstandigheid uit in het nadeel van de onderneming en oordeelt dat het verweer onvoldoende is onderbouwd. Het hof is van oordeel dat Ado onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om het feitelijk bewijsvermoeden, dat het hof kon ontlenen aan de hetgeen Bpf heeft gesteld, te ontzenuwen. Het hof beslist dat Ado de premienota’s van Bpf moet betalen. 01-06-2021
- Gerechtshof Amsterdam Kern van het geschil is of HooVos bedrijfswerkzaamheden verricht die vallen onder (de werkingssfeer van) het verplichtstellingsbesluit, de cao bouw en de cao BTER (hierna: de bouwregelingen). In dat kader moet de vraag worden beantwoord of HooVos een onderneming is waarvan het bedrijf in overwegende mate is gericht op productie of dienstverlening voor of aan derden op het gebied van overige werken die naar hun aard niet tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend. Partijen zijn het echter niet eens geworden dat en in hoeverre voor de omvang van de bouwactiviteiten ook de uren en loonsommen van personeel dat ondersteunend is geweest bij de als bouwactiviteiten gekwalificeerde werkzaamheden dienen te worden betrokken. Het hof benoemt daarvoor een deskundige 01-06-2021
- Gerechtshof Amsterdam Geschil over hoogte en duur van een WIA-suppletieregeling na ontslag. Het hof oordeelt dat de cao van Fortis Bank Nederland (FBN) zo moet worden uitgelegd dat voor wat betreft de hoogte van de WIA-suppletieregeling geen verrekening mag plaatsvinden met de mate van arbeidsongeschiktheid. De WIA-suppletieregeling duurt tot aan de pensioendatum. Dat is volgens het hof de datum van het ouderdomspensioen volgens het pensioenreglement 2014 (AOW-leeftijd) en niet de leeftijd van 65 jaar. Een andere uitleg zou leiden tot het onaannemelijk rechtsgevolg van een significante terugval in het inkomen vanaf het moment dat de werknemer 65 jaar wordt tot de datum waarop hij daadwerkelijk recht krijgt op ouderdomspensioen. 25-05-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Kern van het geschil is of de werkgever de streefregeling is nagekomen. Appellant vindt (primair) dat de pensioenuitkering die hij ontvangt te laag is en dat KHN verplicht is om de pensioenovereenkomst alsnog na te komen en het tekort aan te vullen in de vorm van betaling van een aanvullende koopsom Het hof oordeelt dat de wijzing van de streefregeling in 2004 naar een vaste rekenrente van 5,5% niet rechtsgeldig is overeengekomen. Het hof beslist dat de primaire vordering van appellant toewijsbaar is, maar dat hij zijn vordering eerst nog nader moet onderbouwen. 18-05-2021
- Gerechtshof Amsterdam Geschil over toepassing pensioenovereenkomst van receptioniste na overgang van onderneming van Cordaan Thuiszorg naar (een rechtsvoorganger van) Vlabio. Het hof oordeelt dat sprake is van overgang van onderneming per 1 maart 2012. Daardoor is de pensioenverplichting krachtens de arbeidsovereenkomst overgegaan op de verkrijger. Werknemer heeft recht op pensioenopbouw bij PFZW. 30-03-2021
Rechtbank
- Rechtbank Rotterdam Geschil na echtscheiding over de vraag of de pensioenverevening geldt tijdens de voorhuwelijkse periode van samenleving. In de eerste versie van het echtscheidingsconvenant stond standaardverevening vanaf datum huwelijk (2005). Volgens gedaagde was tijdens een viergesprek tussen ex-echtgenoten en hun advocaten overeengekomen dat pensioenverevening zou plaatsvinden vanaf datum samenleving (1998). In correspondentie na het viergesprek is steeds gesproken over verevening dan wel verdeling conform de WVPS. In de aangepaste tweede versie van het echtscheidingsconvenant is ten aanzien van de verevening toegevoegd tijdens samenleving. De rechtbank oordeelt dat gelet op de importantie van de wijziging en omdat andere wijzigingen wel uitdrukkelijk zijn benoemd, het voor de hand had gelegen deze wijziging ook te benoemen. Geconcludeerd wordt dan ook dat eiser weliswaar het convenant heeft ondertekend, maar dat zijn wil niet was gericht op pensioenverevening vanaf de datum van samenleving vóór het huwelijk. 23-06-2021
- Rechtbank Amsterdam Dit geschil gaat over de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat (gedaagde) voor de afwikkeling van de tussen zijn cliënt (eiser) en diens werkgever gesloten vaststellingsovereenkomst. Daarin is bepaald dat de werkgever een ten gunste van eiser opgebouwd pensioenkapitaal ten bedrage van € 40.000 aan eiser zal betalen op een nader door eiser aan te geven fiscaal gunstige en geaccepteerde wijze en dat het bedrag door de werkgever zal worden afgestort op een nader door eiser aan te geven bankrekeningnummer van een ten gunste van hem opgerichte stamrechtvennootschap. Op 3 augustus 2005 heeft de advocaat van de werkgever gedaagde meegedeeld dat de vaststellingsovereenkomst op dit punt in strijd is met de wet, omdat het bedrag van € 40.000 slechts aan een verzekeringsmaatschappij kan worden betaald en niet aan een stamrechtvennootschap. Nadien is getracht uitvoering te geven aan de vaststellingsovereenkomst, hetgeen op bezwaren van de werkgever is gestuit. Het had op de weg van gedaagde gelegen om de uitlatingen van de werkgever schriftelijk aan eiser mede te delen, alsook het resultaat van zijn voorgestelde “side letter” en zijn mededeling aan eiser om advies elders in te winnen. Dit alles heeft gedaagde niet gedaan. Integendeel, gedaagde heeft niets meer van zich laten horen.Vast staat dat vijftien jaar ná het sluiten van de vaststellingsovereenkomst het overeengekomen pensioengeld van € 40.000 nog niet ten goede is gekomen aan eiser. De rechtbank oordeelt dat de advocaat aansprakelijk is voor de door cliënt geleden schade, nader op te maken bij staat. Het verjaringsverweer van de advocaat slaagt niet. 16-06-2021
- Rechtbank Den Haag Geschil over vraag of Defensie in periode 2004-2018 bij militairen de premieopslagen terecht heeft ingehouden.De rechtbank oordeelt dat Defensie voldoende grondslagen had om de premieopslagen over de verschillende perioden in te houden. 26-05-2021
- Rechtbank Rotterdam Werkneemster in thuiszorg zet na einde arbeidsovereenkomst werkzaamheden voort via overeenkomst van opdracht. Na beëindiging van die opdracht vordert zij achterstallig loon, betaling van ingehouden pensioenpremies, een transitievergoeding, en een billijke vergoeding. 21-05-2021
- Rechtbank Amsterdam Geschil na echtscheiding. Voor wat betreft pensioen verzoekt de vrouw de WVPS toe te passen op het pensioen van de man en haar te ontheffen van verevening. De rechtbank oordeelt dat in de huwelijkse voorwaarden de WVPS van toepassing is verklaard. Er zijn geen redenen om daarvan af te wijken. 19-05-2021
- Rechtbank Amsterdam Voormalig werknemers drukkerij wensen een voorlopig getuigenverhoor. Na hun via een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen ontslag zijn via een aan de drukkerij gelieerde stichting financiële middelen overgemaakt aan PGB om aan bepaalde werknemers pensioenuitkeringen te doen. Verzoekers behoren niet tot de groep werknemers die een pensioenuitkering heeft ontvangen. Zij verzoeken een voorlopig getuigenverhoor. De rechtbank wijst dat verzoek af wegens gebrek aan belang. De voormalig bestuurders hebben de besluiten genomen namens de Stichting. PGB is in overeenstemming met deze besluiten tot uitkering overgegaan. Uitgaande van die feiten heeft de Stichting de besluiten rechtsgeldig genomen. Van willekeur of onzorgvuldigheid getuigen de besluiten niet. 06-05-2021
- Rechtbank Noord-Holland Politieagent heeft gebruikgemaakt van tussentijds verlof van 7 januari 2019 t/m 6 januari 2020. Van 13 januari 2020 t/m 31 december 2021 neemt hij eindeloopbaanverlof op, waarna ontslag wordt verleend. In het besluit staat dat na 12 maanden levensloopverlof geen sprake meer is van pensioenopbouw tijdens de nieuwe verlofperiode vanaf 13 januari 2020. De politieagent maakt bezwaar, dat wordt afgewezen. De rechtbank ziet in de tekst van artikel 12 van de Regeling en in de toelichting daarop geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de bedoeling is dat het levensloopverlof in totaliteit voor een periode van maximaal één jaar pensioengevend is en verklaart het beroep gegrond. 23-04-2021
- Rechtbank Den Haag Geschil over berekening waarde opgebouwd pensioen na scheiding volgens systematiek Boon/van Loon. De rechtbank oordeelt aan de hand van artikel 8 Psw dat de door de vrouw gevorderde berekening niet toewijsbaar is. 28-01-2020
Antillen
- Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Arubaanse zaak. Ambtenaar maakt bezwaar tegen pensioenuitkering met terugwerkende kracht tot 2013. Hij stelt recht te hebben op uitbetaling van een pensioenuitkering met terugwerkende kracht tot 22 april 2010. De aangevallen beschikking is de loonstrook van februari 2017 met printdatum van 24 februari 2017. Uit het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat klager niet later dan eind februari 2017 de loonstrook heeft ontvangen. Klager had dus uiterlijk tot eind maart 2017 hiertegen kunnen opkomen. Klager heeft op 22 april 2017 zijn bezwaar bij de minister van Financiën en Overheidsorganisaties ingediend. Het gerecht overweegt derhalve dat klager niet tijdig in bezwaar is gekomen tegen de aangevallen beschikking. 24-05-2021
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao Verdeling pensioen na echtscheiding op Curucao. In kort geding krijgt eiseres van het Gerecht alvast een maandelijks bedrag toegewezen. Voor de verdere algehele verdeling wordt de zaak omgezet in een bodemprocedure op grond van artikel 228 Rv. 17-05-2021
- Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Geschil over inhouding werknemersbijdrage voor inkoop pensioen. Ambtenaar op Aruba protesteert tegen die inhouding. De inhouding is gebaseerd op een beschikking die volgens haar onbevoegd is genomen. Het gerecht heeft haar bezwaar tegen die beschikking gegrond verklaard, hoger beroep loopt. In deze procedure stelt de ambtenaar zich op het standpunt dat zij niet alleen vanaf 1 januari 2012 maar al vanaf de datum van haar indiensttreding, namelijk 1 april 2002, in de gelegenheid moet worden gesteld haar pensioenrechten in te kopen. Het gerecht kan haar niet volgen in haar standpunt dat ten onrechte bedragen voor de inkoop van pensioenrechten op haar bezoldiging worden ingehouden. Klaagster is immers de reeds ingehouden bedragen verschuldigd, zelfs indien zij, conform haar verzoek, in de gelegenheid wordt gesteld om ook over de periode vanaf 1 april 2002 tot 1 januari 2012 haar pensioenrechten in te kopen. Verweerder heeft dan ook terecht het verzoek om de inhoudingen te staken en het reeds ingehouden bedrag terug te betalen, afgewezen. 14-12-2020