Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 4, editie 12. Daarin vindt u een overzicht van 27 in december 2021 gepubliceerde uitspraken over pensioen. U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
Geen bestuurdersaansprakelijkheid door tijdige melding betalingsonmacht (PR 2022-0001)
De Hoge Raad oordeelde op 24 december over een zaak waarin een bestuurder hoofdelijk aansprakelijk was gesteld voor achterstallige pensioenpremies door verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds PFZW. In het arrest nuanceert de Hoge Raad het criterium. De mededeling van betalingsonmacht hoeft niet te worden gedaan als het bedrijfstakpensioenfonds al op andere wijze op de hoogte is van betalingsonmacht van de rechtspersoon en van de omstandigheden die daartoe hebben geleid. De melding van betalingsonmacht moet inhouden dat niet kan worden betaald en moet inzicht geven in de omstandigheden die daartoe hebben geleid. De verstrekte informatie moet zodanig zijn dat het bedrijfstakpensioenfonds in staat is om zich op basis daarvan een redelijk oordeel te vormen over de oorzaken van de betalingsonmacht en zich te beraden op de opstelling die het ten aanzien van de rechtspersoon zal innemen (ECLI:NL:HR:2021:1976).
Buitenlandse werknemers van buitenlandse onderneming die in Nederland werken in vleesverwerkende industrie vallen onder werkingssfeer VLEP (PR 2022-0019; PR 2022-0020; PR 2022-0021; PR 2022-0022)
Deze maand oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden in vier zaken over de vraag of buitenlandse werknemers van Luxemburgse of Slowaakse ondernemingen met werknemers die in Nederlandse slachthuizen werkzaamheden verrichten, verplicht moesten deelnemen aan het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds VLEP. De aan de werknemers afgegeven A1-formulieren zien op sociale zekerheid in de zin van de Coördinatieverordening. Het hof is daaraan bij de beoordeling van het aanvullend pensioen niet gebonden. Het hof concludeert dat Nederland het gewoonlijk werkland is. Nederlands dwingend recht, waaronder de Wet Bpf 2000 en het verplichtstellingsbesluit, is van toepassing. Werknemers vallen onder de werkingssfeer van VLEP. Er is geen detachering vanuit het buitenland (ECLI:NL:GHARL:2021:11021; ECLI:NL:GHARL:2021:11023; ECLI:NL:GHARL:2021:11029; ECLI:NL:GHARL:2021:11015).
Deliveroo valt onder werkingssfeer Bpf Vervoer (PR 2022-0002)
Het Hof Amsterdam deed deze maand uitspraak in het geschil over de vraag of Deliveroo onder het verplichtstellingsbesluit van het bedrijfstakpensioenfonds Beroepsvervoer over de weg valt. Het hof oordeelt dat wellicht in het verleden het begrip ‘goederenvervoer’ in het spraakgebruik vooral zag op (zwaar) gemotoriseerd verkeer, maar dat in de loop van de afgelopen jaren dit begrip aan verandering onderhevig is geweest en thans ook vele andere vormen van niet-gemotoriseerd goederenvervoer omvat, zoals vervoer per (bak)fiets en scooter. Het normale en/of gangbare spraakgebruik bevat dus geen overtuigende aanwijzing voor de stelling van Deliveroo dat bezorging per fiets niet onder de werkingssfeer valt. Daarom oordeelt het hof dat Deliveroo onder de werkingssfeer valt. Het hof verwerpt het beroep op ongeldigheid van het verplichtstellingsbesluit wegens onvoldoende representativiteit. Er is geen inbreuk op het vrije verkeer van diensten en het vrije verkeer van vestiging naar Europees recht (ECLI:NL:GHAMS:2021:3979).
Wijziging onvoorwaardelijke naar voorwaardelijke indexatie nietig (PR 2022-0018)
Deze maand oordeelde de rechtbank dat een wijziging door verzekeraar OG van onvoorwaardelijke naar voorwaardelijke indexatie per 2013 van een inmiddels ex-werknemer niet was toegestaan. Het beroep dat de onvoorwaardelijke toeslagverlening, zoals OG die in ieder geval tot 2013 diende uit te voeren, voorwaardelijk was, omdat de betrokken werknemer in de toekomst wellicht geen actieve deelnemer meer zou zijn, wijst de kantonrechter af. Dat is een onjuiste uitleg van artikel 6:21 BW. De kantonrechter verklaart voor recht dat de per 1 januari 2013 in de Cao voor het Verzekeringsbedrijf/Binnendienst en het Pensioenreglement OG doorgevoerde wijziging van de onvoorwaardelijke toeslagverlening in een voorwaardelijke toeslagverlening over de tot 1 januari 2013 opgebouwd pensioenaanspraken op grond van artikel 20 Pw niet is toegestaan en dat deze wijziging nietig is (ECLI:NL:RBDHA:2021:12948).
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar pr-updates@budh.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
Raadsheer-plaatsvervanger Hof Den Bosch
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof Amsterdam Geschil over de vraag of Deliveroo valt onder het verplichtstellingsbesluit van het bedrijfstakpensioenfonds Beroepsvervoer over de weg. Het hof legt de werkingssfeerbepaling in het verplichtstellingsbesluit uit aan de hand van de bewoordingen daarvan, het systeem en de structuur van de werkingssfeerbepaling en van aanpalende wetten, en de eventuele onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen. Het concludeert dat Deliveroo onder de werkingssfeer valt. Het hof oordeelt dat wellicht in het verleden het begrip ‘goederenvervoer’ in het spraakgebruik vooral zag op (zwaar) gemotoriseerd verkeer, maar dat in de loop van de afgelopen jaren dit begrip aan verandering onderhevig is geweest en thans ook vele andere vormen van niet-gemotoriseerd goederenvervoer omvat, zoals vervoer per (bak)fiets en scooter. Het normale en/of gangbare spraakgebruik bevat dus geen overtuigende aanwijzing voor de stelling van Deliveroo dat bezorging per fiets niet onder de werkingssfeer valt. Het hof verwerpt het beroep op ongeldigheid van het verplichtstellingsbesluit wegens onvoldoende representativiteit. Er is geen inbreuk op het vrije verkeer van diensten en het vrije verkeer van vestiging naar Europees recht. 21-12-2021
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Kern van het geschil is of de werkgever de pensioenovereenkomst jegens een werknemer van eindloon naar premieovereenkomst rechtsgeldig heeft gewijzigd per 1 januari 2000. Het hof oordeelt dat geen sprake is van verjaring, afstand of schending klachtplicht. De werknemer heeft de pensioenwijziging niet stilzwijgend aanvaard. Naar het oordeel van het hof heeft Air Liquide Welding appellant onvoldoende geïnformeerd over de strekking en de gevolgen van de wijziging van de pensioenvoorziening. Evenmin is er een rechtsgeldige eenzijdige wijziging. Het hof veroordeelt de werkgever tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. 14-12-2021
- Gerechtshof Den Haag In zijn tussenarrest van 18 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:211 heeft het hof onder meer beslist dat de wijziging van de pensioenovereenkomst in 2004 niet rechtsgeldig tussen partijen was overeengekomen. De pensioenaanspraken van appellant moeten worden beoordeeld aan de hand van de door partijen in 1984 gesloten pensioenovereenkomst, een streefregeling. Bij de begroting van het doelvermogen dat appellant in de hypothetische situatie zou hebben opgebouwd, moet naar het oordeel van het hof uitgegaan worden van (1) toepassing van de door Nationale-Nederlanden gehanteerde fiscale minimumrekenrente van 4,4%, (2) een gelijkblijvende pensioengrondslag vanaf 2007, en (3) handhaving van de eindloonregeling na het 55ste levensjaar. Het hof veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellant van een bedrag van € 136 per maand over de periode van 1 september 2011 tot zijn overlijden, en aan zijn echtgenote, als zij hem overleeft, vanaf het overlijden van appellant een bedrag van € 95 per maand tot aan haar overlijden, bij vooruitbetaling te voldoen (voor zover het gaat om nog niet verstreken termijnen) en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van deze bedragen. 14-12-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil na echtscheiding. De man stelt in hoger beroep dat ten onrechte is beslist dat zijn pensioen verevend moet worden conform de WVPS. De omstandigheden waar de man zich op beroept, die volgens hem aanleiding geven voor het terzijde stellen van de Wvps, komen er in de kern op neer dat de vrouw – anders dan de man – over een groot (ondernemings)vermogen beschikt, waarmee zij op termijn in haar oude dag kan voorzien. Het hof oordeelt dat de WVPS van toepassing is. Partijen hebben de toepasselijkheid van die wet niet uitgesloten en de feiten en omstandigheden zijn ook niet zodanig dat toepassing van de wet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Haar vermogen (de aandelen) heeft de vrouw verkregen door schenking met een uitsluitingsclausule. Dat zij de waarde van die aandelen niet hoeft te delen met de man ligt dus buiten de invloedsfeer van de vrouw. Verder heeft de vrouw onweersproken verklaard dat haar inkomsten bestaan uit de winst uit de lingeriewinkel en een jaarlijks dividend uit haar vennootschap en dat zij daarmee een gemiddeld maandelijks netto-inkomen van rond de € 2.200 heeft. Van dit inkomen moeten zij en de bij haar inwonende jongmeerderjarige zoon in hun levensonderhoud voorzien. Ook heeft de vrouw onweersproken verklaard dat zij geen pensioenvoorziening heeft en deze ook niet kan betalen, mede omdat zij vanwege gezondheidsklachten een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft en in stand wil laten. 02-12-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil over de vraag of buitenlandse werknemers van Luxemburgse onderneming Presta onder werkingssfeer van verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds VLEP (vleesverwerkende industrie) vallen. De aan de werknemers van Presta afgegeven A1-formulieren zien op sociale zekerheid in de zin van de Coördinatieverordening. Het hof is daaraan bij de beoordeling van het aanvullend pensioen niet gebonden. Het hof concludeert dat Nederland het gewoonlijk werkland is – werkzaamheden in Nederlandse slachthuizen – en dat er geen nauwere band is met een ander land. Nederlands dwingend recht, waaronder de Wet Bpf en het verplichtstellingsbesluit, is van toepassing. Werknemers vallen onder de werkingssfeer van VLEP. Er is geen detachering vanuit Luxemburg. 30-11-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil over de vraag of buitenlandse werknemers van Luxemburgse onderneming Intermeat vallen onder werkingssfeer van verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds VLEP (vleesverwerkende industrie). De aan de werknemers van Intermeat afgegeven A1-formulieren zien op sociale zekerheid in de zin van de Coördinatieverordening. Het hof is daaraan bij de beoordeling van het aanvullend pensioen niet gebonden. Het hof concludeert dat Nederland het gewoonlijk werkland is. Nederlands dwingend recht, waaronder de Wet Bpf 2000 en het verplichtstellingsbesluit, is van toepassing. Werknemers vallen onder de werkingssfeer van VLEP. Er is geen detachering vanuit Luxemburg. 30-11-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil over de vraag of buitenlandse werknemers van Luxemburgse onderneming Mahevia onder werkingssfeer van verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds VLEP (vleesverwerkende industrie) vallen. De aan de werknemers van Mahevia afgegeven A1-formulieren zien op sociale zekerheid in de zin van de Coördinatieverordening. Het hof is daaraan bij de beoordeling van het aanvullend pensioen niet gebonden. Het hof concludeert dat Nederland het gewoonlijk werkland is. Nederlands dwingend recht, waaronder de Wet Bpf 2000 en het verplichtstellingsbesluit, is van toepassing. Werknemers vallen onder de werkingssfeer van VLEP. Er is geen detachering vanuit Luxemburg. 30-11-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Geschil over de vraag of buitenlandse werknemers van Slowaakse onderneming Lema vallen onder werkingssfeer van verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds VLEP (vleesverwerkende industrie). De aan de werknemers van Lema afgegeven A1-formulieren zien op sociale zekerheid in de zin van de Coördinatieverordening. Het hof is daaraan bij de beoordeling van het aanvullend pensioen niet gebonden. Het hof concludeert dat Nederland het gewoonlijk werkland is. Nederlands dwingend recht, waaronder de Wet Bpf 2000 en het verplichtstellingsbesluit, is van toepassing. Werknemers vallen onder de werkingssfeer van VLEP. Er is geen detachering vanuit Slowakijke. 30-11-2021
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden De bewindvoerder heeft op meerdere vlakken onzorgvuldig gehandeld door de pensioenafkoop onjuist te verwerken in de belastingaangifte en niet te hebben bekeken wat de gevolgen waren voor de huurtoeslag. Slechts door adequaat handelen van de nieuwe bewindvoerder is de belastingschade voor de rechthebbende hersteld. De bewindvoerder wordt veroordeeld in de schade die verband houdt met de gevolgen van de afkoop voor de huurtoeslag en de proceskosten. 18-11-2021
Rechtbank
- Rechtbank Midden-Nederland Geschil over vraag of eiseres eindloonregeling (uitkeringsovereenkomst) heeft, hoewel regeling is uitgevoerd door kapitaalverzekering waarmee eindloonpensioen werd nagestreefd maar niet gegarandeerd. De kantonrechter oordeelt op grond van de Haviltex-maatstaf dat de werknemer geen recht heeft op een uitkeringsovereenkomst. De reconventionele vordering van de werkgever tot eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst door opname in de beschikbarepremieregeling wijst de kantonrechter af. 15-12-2021
- Rechtbank Den Haag Geschil over hoogte militair arbeidsongeschiktheidspensioen van militair die tweemaal naar Libanon en eenmaal naar Sinaï was uitgezonden. De militair leidt aan PTSS. Na herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschikheid vastgesteld op afgerond 16%. De militair stelt dat dit op onjuiste gronden is gebeurd. De rechtbank overweegt dat het protocol PTSS is gevolgd. Er zijn geen redenen om het exceptieve verweer tegen het protocol te honoreren. De rechtbank verwerpt de beroepen van de militair. 13-12-2021
- Rechtbank Den Haag Ex-marinier met aangeboren afwijking van de lage rug heeft militair arbeidsongeschiktheidspensioen aangevraagd. In geschil is of Defensie dat verzoek terecht heeft afgewezen. De op de Filippijnen wonende ex-marinier vindt dat hij gehoord had moeten worden, hij begreep niet dat daarvoor een termijn was gesteld. De rechtbank stelt vast dat bij brief van 10 augustus 2020 ook per e-mail is verzocht of hij zijn bezwaren wilde toelichten op een hoorzitting. Hij heeft op 13 augustus gereageerd en een scan van de medische machtiging meegezonden. De rechtbank oordeelt dat hij niet heeft aangegeven gehoord te willen worden. Dat komt voor zijn rekening. Het beroep is ongegrond. 13-12-2021
- Rechtbank Noord-Holland Geschil over vraag of werkgever onder werkingssfeer bedrijfstakpensioenfonds MITT valt. Woltex erkent dat zij op verzoek van de klant ook bedrijfskleding bedrukt of laat borduren, en dat zij daarmee taalkundig gezien zou kunnen worden aangemerkt als werkgever in de MITT. Woltex meent echter dat de mate waarin zij deze activiteiten (doet) verricht(en) zo gering is, dat zij feitelijk gelijkgesteld moet worden aan een bedrijf dat geen activiteiten verricht die onder het Verplichtstellingsbesluit vallen. Dit standpunt volgt de kantonrechter niet. De omzet van Woltex wordt voor 60% gegenereerd door verkoop van beschermingsmiddelen, en voor 40% door verkoop van bedrijfskleding. Van die 40% kleding is ongeveer 60% voorzien van een logo of bedrijfsnaam. Daarmee moet als vaststaand worden aangenomen dat in ieder geval 24% van de omzet van Woltex bestaat uit de verkoop van bedrijfskleding met een logo of bedrijfsnaam, die Woltex daarop heeft gedrukt of laten borduren. De relevante omzet is de omzet die is behaald uit de verkoop van bedrukte en geborduurde kleding. Die is een bijna een kwart, en dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet zo marginaal dat dit als verwaarloosbaar gekwalificeerd kan worden. De premievordering is niet verjaard. Op grond van het uitvoeringsreglement was de premie pas opeisbaar na verzending van de premienota. 08-12-2021
- Rechtbank Rotterdam Het geschil spitst zich toe op de vraag of er nog pensioenpremies zijn die voor rekening van verweerder UWV komen op grond van de premieovername bij faillissement werkgever. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat afdracht van het werkgeversdeel van de pensioenpremies van eiser conform de Cao ABU heeft plaatsgevonden aan [naam stichting 2]. Het UWV heeft de achterstallige premies voor zijn rekening genomen. Tussen partijen is in geschil of verweerder ook het verschil moet betalen in hoogte van enerzijds de afgedragen premies aan [naam stichting 2] en anderzijds de premies die tot aan 12 juli 2015 zijn afgedragen aan de [naam stichting 1] waar eiser – ook voor de periode na 12 juli 2015 – nog steeds aanspraak op maakt. Alleen de door de werkgever aan derden verschuldigde pensioenpremies komen voor overneming in aanmerking op grond van artikel 64, eerste lid aanhef en onder c, WW. Eiser doet voorkomen dat er nog openstaande premies zijn, maar in feite is eiser het niet eens met (de inhoud en de hoogte van de premies horend bij) de polis die door de werkgever is afgesloten en leidt tot een lagere premie-inleg voor eiser. Afsluiting van een (andere of aanvullende) pensioenovereenkomst als zodanig is geen verplichting jegens een derde in de zin van voornoemd artikel. 30-11-2021
- Rechtbank Amsterdam Voormalig piloot van Martinair vordert in kort geding aansluiting in pensioenregeling van Martinair of vergelijkbare pensioenregeling met terugwerkende kracht tot 1 juli 2016. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek af. De voorzieningenrechter overweegt dat het in kort geding onmogelijk is om te kunnen overzien of de primaire of subsidiaire vorderingen van werknemer kans van slagen hebben in een eventuele bodemprocedure. Ten aanzien van het vereiste spoedeisend belang stelt werknemer dat bij overlijden voor aansluiting zijn nabestaanden met een lagere pensioenuitkering zouden worden geconfronteerd. KLM heeft daar terecht tegen ingebracht dat de schadevordering op KLM met betrekking tot het pensioen dan op de nabestaanden overgaat. Dat het belasten van zijn nabestaanden de werknemer tegenstaat, is begrijpelijk, maar onvoldoende reden om thans een voorziening te treffen. Onduidelijk is of de verschillende pensioenfondsen Aegon en LifeSight een aanmelding met terugwerkende kracht accepteren, terwijl er geen loon is betaald. Of werknemer op grond van de achteraf vastgestelde overgang van onderneming alsnog recht heeft op (achterstallig) loon is, is in deze procedure niet aan de orde. Op die uitkomst kan niet vooruit worden gelopen. 29-11-2021
- Rechtbank Amsterdam Het gaat in deze zaak om de pensioenaanspraak van de deelnemers vanaf de AOW-pensioendatum die is geregeld in het Pensioenreglement 1968 dat tot 1999 van kracht was. Volgens SPC is sprake van een te lage pensioenaanspraak als gevolg van een onjuiste toepassing c.q. wijze van berekening van de AOW-integratie door het Pensioenfonds KLM. De kantonrechter oordeelt dat er geen onjuiste toepassing is gegeven aan het pensioenreglement. 26-11-2021
- Rechtbank Limburg Geschil tussen ex-echtgenoten. De echtscheiding is uitgesproken en ingeschreven in februari 2017. Partijen hebben een echtscheidingsconvenant gesloten. Nadien meent de vrouw dat de man opzettelijk belangrijke vermogensbestanddelen heeft verzwegen dan wel waardes bewust onjuist heeft weergegeven, waaronder de waarde van het in eigen beheer opgebouwd pensioen. Zij meent gedwaald te hebben en benadeeld te zijn. De rechtbank oordeelt dat de vrouw dat onvoldoende bewezen heeft. 24-11-2021
- Rechtbank Den Haag In deze procedure heeft de vrouw A haar ex-man (de man), van wie zij in 2008 is gescheiden, gedagvaard, net als de eerste echtgenote van de man, de vrouw B, van wie de man in 1992 is gescheiden. Gedurende de procedure is gebleken dat de vrouw B en de man ook onderling vorderingen tegen elkaar wilden instellen die verband hielden met de vordering van de vrouw A. De rechtbank heeft de man toegestaan in de procedure tussen te komen en een vordering in te stellen tegen de vrouw B. De rechtbank oordeelt dat de vrouw B van het aan haar, door uitbetaling van de spaarverzekering ten goede gekomen bedrag een bedrag van € 177.043,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2016, aan de vrouw A en/of de man verschuldigd is. De door haar te betalen wettelijke rente is per datum vonnis een bedrag van € 20.775,36. Het in totaal verschuldigde bedrag is € 197.819,28. De vrouw B mag op het door haar verschuldigde bedrag in verband met pensioenaanspraken inclusief wettelijke rente tot en met 31 oktober 2021 in mindering brengen een bedrag van € 72.651,40. Dan resteert een door haar te betalen bedrag van € 125.167,88. De rechtbank zal de man daarnaast veroordelen maandelijks, na ontvangst van zijn pensioen, een bedrag van € 978,22 aan de vrouw B over te maken, te beginnen op de laatste dag van de maand november 2021. 17-11-2021
- Rechtbank Midden-Nederland Een oogarts heeft verschillende perioden naast zijn werkzaamheden als zelfstandig oogarts waarnemingswerkzaamheden verricht in diverse ziekenhuizen. Hij vordert in deze procedure pensioenopbouw van PFZW. De kantonrechter oordeelt dat de oogarts niet heeft bewezen dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst werkte. De rechter wijst zijn vordering af. 17-11-2021
- Rechtbank Den Haag Geschil na echtscheiding over wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het echtscheidingsconvenant. Daarin staat dat de man een bedrag betaalt van € 225.000 bruto op (een) door de vrouw aan te wijzen rekening(en) bij (een) in Nederland gevestigde erkende verzekeringsmaatschappij(en) voor de aankoop van een pensioenuitkering ten behoeve van de vrouw. De vrouw heeft in een eerdere procedure gevorderd dat het bedrag wordt betaald op een door haar aan te wijzen bankrekening. De rechtbank heeft dat bij vonnis van 26 september 2018 afgewezen. Na raadpleging van een fiscalist en afstemming met de Belastingdienst heeft zij de man gevraagd om mee te werken aan uitbetaling op een bankrekening. Ze hebben geen overeenstemming bereikt. Daarop vordert de vrouw opnieuw uitbetaling op een bankrekening. De rechtbank wijst dat verzoek af. Het eerdere vonnis heeft gezag van gewijsde gekregen. 17-11-2021
- Rechtbank Den Haag Geschil over wijziging door verzekeraar OG van onvoorwaardelijke naar voorwaardelijke indexatie per 2013 van inmiddels ex-werknemer. Het beroep dat de onvoorwaardelijke toeslagverlening, zoals OG die in ieder geval tot 2013 diende uit te voeren, voorwaardelijk was, omdat in de toekomst wellicht de betrokken werknemer geen actieve deelnemer meer zou zijn, wijst de kantonrechter af. Dat is een onjuiste uitleg van artikel 6:21 BW. De kantonrechter verklaart voor recht dat de per 1 januari 2013 in de Cao voor het Verzekeringsbedrijf/Binnendienst en het Pensioenreglement OG doorgevoerde wijziging van de onvoorwaardelijke toeslagverlening in een voorwaardelijke toeslagverlening over de tot 1 januari 2013 opgebouwd pensioenaanspraken op grond van artikel 20 Pw niet is toegestaan en dat deze wijziging nietig is. 16-11-2021
- Rechtbank Rotterdam Diverse ondernemingen hebben een (groeps)vrijstelling van het bedrijfstakpensioenfonds Hibin (Bpf). Het bpf trekt de vrijstellingen in omdat de ondernemingen niet langer onderdeel zijn van de groep en niet voldaan zou zijn aan de eis van actuariële gelijkwaardigheid. De rechtbank oordeelt dat de vrijstellingen niet zijn verleend onder de voorwaarden dat de ondernemingen deel zijn blijven uitmaken van de CRH groep of – voor een van de ondernemingen – dat de vrijstelling daarna is verlengd zonder het groepscriterium opnieuw te benoemen. Door zich uitsluitend te baseren op de feitelijke dekkingsgraad (terwijl het ook de premiedekkingsgraad mede in ogenschouw had kunnen nemen) heeft het pensioenfonds de vereiste belangen van de deelnemers niet kenbaar in zijn afwegingen betrokken. Mede in aanmerking genomen dat als gevolg van de situatie op de financiële markten niet alleen het CRH pensioenfonds maar ook het Bpf HiBiN te maken heeft met een lagere dekkingsgraad dan 100% en een daling van dekkingsgraad tot onder het (minimum) vereist vermogen, alsmede het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om vooralsnog de pensioenfondsen niet te verplichten om op de pensioenen te korten, heeft verweerster naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet kunnen overgaan tot intrekking van de vrijstellingen. 23-12-2020
Antillen
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba Geschil tussen Arubaans pensioenfonds en gepensioneerde politieagente. Zij vordert teruggave van door haar betaalde premies aan nabestaandenpensioen omdat de grondslag vervallen zou zijn door intrekking van de Landsverordening. Die premies kwalificeren naar het oordeel van het Gerecht als heffingen in de zin van artikel V.11 van de Staatsregeling. Het beroep van eiseres slaagt niet. 17-11-2021
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba Geschil over de vraag of de arbeidsovereenkomst van een Arubaanse werknemer van een bank van rechtswege is geëindigd. Het gerecht oordeelt dat de cao met het daarin opgenomen pensioenontslagbeding niet van toepassing is op de werknemer. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is niet van rechtswege tot een einde gekomen vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. 16-11-2021
Uitspraken zonder ECLI
- College voor de Rechten van de Mens Een vrouw werkte bij Stichting Werkgeverschap Rijnbrink. De stichting liet de vrouw weten dat zij de arbeidsovereenkomst ging beëindigen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De vrouw vindt dat de stichting haar daarmee discrimineerde op grond van haar leeftijd. Stichting Werkgeverschap Rijnbrink betwist dit en stelt dat op grond van de cao de arbeidsovereenkomst met de vrouw automatisch eindigt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het verbod van onderscheid geldt niet als een arbeidsverhouding wordt beëindigd in verband met het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) recht op ouderdomspensioen ontstaat. Dat was in deze zaak ook het geval. Daarom oordeelt het College dat Stichting Werkgeverschap Rijnbrink de vrouw niet discrimineerde op grond van haar leeftijd bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 2021-06-08
- College voor de Rechten van de Mens Geschil over de vraag of de wettelijke ontslagleeftijd voor rechters van 70 jaar leeftijdsdiscriminatie is. De CRvB oordeelt dat de wettelijke leeftijdsgrens van 70 jaar voor ontslag van rechterlijk ambtenaren een passend en noodzakelijk middel is om twee legitieme doelen te behalen: het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en het bevorderen van de doorstroming binnen de rechterlijke organisatie. De maximale leeftijdsgrens levert daarom geen verboden leeftijdsonderscheid op. De Raad oordeelt dat de ontslagleeftijd van 70 jaar niet verder gaat dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelen te bereiken: de belangen van de rechterlijk ambtenaren worden niet buitensporig geschaad. De leeftijdsgrens van 70 jaar is een aantal jaren hoger dan de AOW-leeftijd waarop aanspraak kan worden gemaakt op een ouderdomspensioen. Die leeftijdsgrens maakt het dus mogelijk dat rechterlijk ambtenaren hun loopbaan nog een aantal jaren voort kunnen zetten terwijl zij al een ouderdomspensioen (kunnen) ontvangen. 2021-12-09